Rb. Den Haag 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:9973

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij afkomstig is uit een veilig land van herkomst, in dit geval Servië. Aan de orde is de vraag of Servië in het algemeen als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De rechtbank dient daartoe te beoordelen of een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, de aanwijzing, het resultaat van dat onderzoek, op een kenbare wijze is gemotiveerd en die motivering zodanig deugdelijk is dat zij die aanmerking als veilig land van herkomst kan dragen. De rechtbank is van oordeel dat uit de toelichting bij de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst blijkt dat verweerder alle in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 uitdrukkelijk voorgeschreven informatiebronnen heeft betrokken. Verweerder heeft zich immers gebaseerd op het onderzoek door de Europese Commissie ten behoeve van het opstellen van een Europese lijst van veilige landen van herkomst, dat is verricht op basis van informatie van onder meer de EDEO, EASO, de Raad van Europa en de UNHCR, zoals het in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 geïmplementeerde artikel 37, derde lid, Procedurerichtlijn voorschrijft. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ministeriele regeling van 10 november 2015, voor zover Servië daarbij door middel van een wijziging van bijlage 13 van het VV 2000 is aangemerkt als veilig land van herkomst, op dit punt niet in strijd is met artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000, noch met de Procedurerichtlijn. Eiser heeft, nu verweerder zijn relaas terecht onvoldoende zwaarwegend heeft geacht, niet aannemelijk gemaakt dat in zijn specifieke geval Servië niet (langer) als veilig land van herkomst kan worden beschouwd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken