Rb. Den Haag 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9736
Deze zaak heeft betrekking op het asielverzoek van eiseres, met de Mongolische nationaliteit, en haar minderjarige kinderen. Eiseres heeft naast haar identiteit, nationaliteit en herkomst als asielmotief aangevoerd dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld. De minister heeft de asielmotieven geloofwaardig geacht maar stelt dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat eiseres niet opnieuw te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade omdat haar ex-partner sinds zijn terugkeer naar Mongolië geen contact meer heeft gehad met eiseres. De minister wijst er verder op dat eiseres inmiddels een nieuwe partner heeft en dat zij in Mongolië indien nodig bescherming kan vragen bij de autoriteiten. Eiseres heeft in het verleden melding gedaan bij de Mongoolse autoriteiten waarop volgens de minister ook is geacteerd door de politie. Eiseres heeft echter geen aangifte gedaan tegen haar ex-partner, terwijl dit volgens de minister wel van haar verwacht mag worden. De minister wijst ook op openbare informatie waaruit blijkt dat eiseres bescherming kan vragen bij de Mongoolse autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat de motivering van de bestreden besluiten geen stand kan houden. Om te beginnen stelt de rechtbank vast dat er procesbelang is. De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat het huiselijk geweld dat eiseres heeft ondergaan als ernstige schade dan wel als daad van vervolging valt te kwalificeren als bedoeld in artikel 31, vijfde lid Vw. De rechtbank volgt de minister er niet in dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt hierbij dat er geen enkele indicatie is dat de ex-partner eiseres ook met rust zal laten als zij weer naar Mongolië zou terugkeren, dat er door slachtoffers van huiselijk geweld vaker geen aangifte wordt gedaan en dat het feit dat eiseres pas een jaar na aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd niet afbreuk doet aan haar vrees omdat haar ex-partner in een deel van die periode ook (illegaal) naar Nederland kwam. De rechtbank volgt de minister er voorts niet in dat er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat er voor eiseres binnenlandse bescherming aanwezig is. De Afdeling heeft meermaals overwogen dat als de minister voldoende heeft onderbouwd dat in het land van herkomst bescherming bij de autoriteiten kan worden gevraagd, het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat het land voor haar toch niet veilig is. Tegen de achtergrond van het bepaalde in artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU en de rechtspraak van het HvJ, twijfelt de rechtbank of de jurisprudentielijn van de Afdeling stand kan houden. Indien immers vaststaat dat een vrouw bij terugkeer naar het land van herkomst risico loopt op vervolging of ernstige schade door haar ex-man, dan lijkt de jurisprudentie van het HvJ te vereisen dat de beslissingsautoriteit (in casu de minister) juist de effectiviteit van de bescherming in het land van herkomst beoordeelt. Dit lijkt ook voort te vloeien uit artikel 7 van Richtlijn 2011/95/EU. Zulks zou temeer moeten gelden, indien de vrouw reeds tot op zekere hoogte bescherming heeft ingeroepen en die niet effectief is gebleken. De rechtbank stelt daarom de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ: 1) Brengt het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 met zich dat indien de beslissingsautoriteit aan een vreemdeling tegenwerpt dat zij bij terugkeer naar het land van herkomst de bescherming van de autoriteiten en ngo’s van dat land kan inroepen, het op de weg van de beslissingsautoriteit ligt om naast de theoretische beschikbaarheid van die bescherming, ook de effectiviteit ervan te beoordelen, en zo ja, hoe effectief moet die bescherming dan zijn en waar moet deze dan ten minste uit bestaan om met een beroep op artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 een asielaanvraag af te wijzen? 2) Maakt het voor het antwoord op vraag 1 nog verschil of de vreemdeling reeds eerder getracht heeft bescherming te verkrijgen, maar die bescherming niet voldoende is gebleken? 3) Mag daarbij van de vreemdeling worden verwacht eerst alle theoretisch beschikbare beschermingsmogelijkheden in het land van herkomst te hebben uitgeput, ook als de reeds gezochte bescherming niet afdoende is gebleken?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 13 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1060
- Rb. Den Haag 1 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23082
- ABRvS 12 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2261
- ABRvS 2 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3582
- ABRvS 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:281
- ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1913
- ABRvS 29 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7273
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:47
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2025:939
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2026:228