Rb. Den Haag 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:9972
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond omdat zij afkomstig is uit een veilig land van herkomst, in dit geval Mongolië. Aan de orde is de vraag of Mongolië in het algemeen als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De rechtbank dient daartoe te beoordelen of een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, de aanwijzing, het resultaat van dat onderzoek, op een kenbare wijze is gemotiveerd en die motivering zodanig deugdelijk is dat zij die aanmerking als veilig land van herkomst kan dragen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder, anders dan dat het geval was bij de eerste tranche veilige landen van herkomst van 10 november 2015, bij zijn beoordeling van Mongolië als veilig land alle in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 uitdrukkelijk voorgeschreven informatiebronnen heeft geraadpleegd. Bovendien is ten aanzien van de aanmerking van Mongolië als veilig land van herkomst door andere landen, hetgeen heeft te gelden als ‘indirect bewijs’, niet gebleken dat verweerder de door die landen toegepaste afweging heeft betrokken, noch dat zijn betrokken de argumenten van de landen die Mongolië niet als een veilig land van herkomst hebben aangemerkt. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ministeriele regeling van 10 februari 2016 voor zover Mongolië daarbij door middel van een wijziging van bijlage 13 van het VV 2000 is aangemerkt als veilig land van herkomst, onvoldoende is gemotiveerd en derhalve niet ten grondslag kan worden gelegd aan de afwijzing van eiseresses asielaanvraag. Nu verweerder het relaas van eiseres terecht niet zwaarwegend genoeg heeft geacht, is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl