Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:359

BRE 20/4763 Artikel 7.8 Wet IB 2001. Artikel 21bis Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Schumacker-jurisprudentie. Hoewel niet aan het 90%-criterium is voldaan en het wereldinkomen niet gering is, is toch sprake van een Schumacker-exceptie. Rechtsherstel. Belanghebbende is woonachtig in Frankrijk en geniet vanuit Nederland een AOW-uitkering van € 13.676 (heffingsrecht Frankrijk) en een pensioen van € 31.959 (heffingsrecht Nederland). Belanghebbende wil onder meer negatief inkomen uit woning en alimentatie in aftrek brengen op zijn in Nederland belastbaar inkomen. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 van de Wet IB 2001. Het standpunt van de inspecteur is juist dat bij de beoordeling of ‘wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting in het woonland is verschuldigd’, als bedoeld in letter c van artikel 21bis Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, uitgegaan moet worden van het wereldinkomen en dat de regels ter voorkoming van dubbele belasting daarbij buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank is echter van oordeel dat belanghebbende een zodanig gering inkomen in de woonstaat Frankrijk heeft dat Nederland belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie moet toekennen aan belanghebbende op grond van de Schumacker-jurisprudentie. De rechtbank gaat daarbij onder meer uit van de opvatting dat (i) de beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet gebeuren naar maatstaven van de woonstaat, dat (ii) bij die beoordeling inkomen buiten beschouwing moet blijven ter zake waarvan de woonstaat op grond van een belastingverdrag een vrijstelling ter voorkoming van dubbele heffing verleent, dat (iii) hoewel er aanknopingspunten in de jurisprudentie van het Hof van Justitie zijn voor de opvatting dat moet gaan om een inkomen dat in absolute zin gering is (‘geen inkomsten van betekenis’), uit de zaak X volgt dat het erom gaat of er in de woonstaat onvoldoende inkomen is waardoor niet volledig rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. In dit geval is niet de gehele persoonlijke situatie van belanghebbende volledig in aanmerking is genomen in Frankrijk, aangezien het Franse inkomen van belanghebbende zodanig laag is dat (a) het drempelbedrag van € 14.771 niet volledig benut is, en (b) belanghebbende de aftrekpost voor alimentatie niet heeft kunnen effectueren. Dit betekent dat Nederland ook rekening moet houden met de persoonlijke situatie van belanghebbende. Er rijzen in dat kader diverse vragen hoe Nederland dat zou moeten doen. Gelet op het partijdebat gaan beide partijen ervan uit dat de geclaimde aftrekposten in aftrek kunnen komen. De rechtbank verwerpt het betoog van de inspecteur dat belanghebbende in de heffing moet worden betrokken overeenkomstig de regels die golden voor de oude keuzeregeling. Wel kan belanghebbende slechts voor 1.095/14.771e deel aanspraak maken op het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting. Reden daarvoor is dat belanghebbende reeds in Frankijk voor 13.676/14.771e deel gebruik heeft gemaakt van het belastingvoordeel dat eruit bestaat dat tot een bepaald drempelbedrag effectief niet wordt geheven, en dat dat belastingvoordeel vergelijkbaar is met de heffingskorting.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken