Rb. Zeeland-West-Brabant 2 juni 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2988

Artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001. Artikel 21bis van het UBIB 2001. Unierecht en Schumacker-rechtspraak. Belanghebbende woont in 2018 in Duitsland en geniet een Nederlandse AOW-uitkering van € 14.978 (Duitsland heffingsrecht), een Nederlandse pensioenuitkering van € 11.194 (Nederland heffingsrecht), en een Duitse ‘Mütterrente’ van € 880. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij een bedrag van € 19.588 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten in mindering kan brengen. Een van de belangrijkste punten voor belanghebbende is dat zij het onevenredig acht dat zij geen uitgaven voor specifieke zorgkosten in mindering mag brengen op haar inkomen, terwijl dit wel het geval was geweest indien haar AOW-uitkering € 22 hoger was geweest, omdat dan wel was voldaan aan de € 15.000-grens zoals opgenomen in het Belastingverdrag Duitsland Nederland. De rechtbank constateert dat in dit geval niet wordt voldaan aan de zogenoemde ‘inkomenseis’ van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001 als gevolg van de € 15.000-grens. De rechtbank overweegt dat zij niet kan afwijken van deze grens omwille van de nadelige gevolgen die het heeft voor belanghebbende. De rechtbank overweegt dat belanghebbende ook niet op grond van artikel 21bis van het UBIB 2001 kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De door belanghebbende overgelegde inkomensverklaring is onvoldoende als bewijs omdat deze onjuist is ingevuld, en overigens ook niet geschikt is voor toetsing aan de voorwaarde of belanghebbende wegens de geringe hoogte van haar inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd. Het wereldwijde inkomen van belanghebbende, zijnde € 27.052, is ook niet dermate laag dat in Duitsland geen inkomstenbelasting is verschuldigd als gevolg van regelingen die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. De Duitse regelingen van het ‘Besteuerungsanteil’ en de aftrek van zorgkosten hebben niet als doel om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. De rechtbank heeft de vraag of belanghebbende op grond van het Unierecht en de Schumacker-rechtspraak toch recht heeft op aftrek van uitgaven beantwoord aan de hand van het door Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1574 beschreven stappenplan. De rechtbank komt tot het oordeel dat het in Duitsland in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Duitsland geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende in aanmerking te nemen, zodat Nederland een tegemoetkoming moet verlenen. De rechtbank berekent de tegemoetkoming aan de hand van de formule: (belast inkomen in de bronlidstaat / wereldinkomen x 100%) x de tegemoetkoming die Nederland volgens zijn wetgeving moet verlenen. Het in aanmerking nemen van de tegemoetkoming resulteert in dit geval als uitgangspunt in een verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting van nihil. De tegemoetkoming wordt in dit geval niet begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende. Het beroep is daarom gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken