Conclusie A-G Niessen 10 december 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2449
Hypotheekrenteaftrek Belgische woning; belastbaarheid stamrechtuitkering aan Belg Belanghebbende, werkzaam in Nederland en in België, wil hypotheekrente ter zake van diens Belgische woning aftrekken, waarbij geen inkomensbestanddelen belast worden die ter heffing aan België zijn toegewezen. Belanghebbende beroept zich op de Schumacker-doctrine. Feiten: Belanghebbende woont in België en heeft daar twee hypothecair gefinancierde panden. De in 2009 betaalde hypotheekrente bedroeg € 99.907. Belanghebbende ontving in 2009 € 69.553 loon alsmede € 18.808 uit een stamrecht van een in Nederland gevestigde BV en € 12.500 loon als zaakvoerder van een in België gevestigde BV. Belanghebbende heeft over 2009 aangifte IB/PVV gedaan als buitenlandse belastingplichtige, waarbij hij genoemde inkomensbestanddelen exclusief het Belgische loon heeft aangegeven. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de door de inspecteur conform aangifte opgelegde aanslag en heeft daarbij geopteerd voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplicht (art. 2.5 Wet IB 2001). De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar aangegeven dat de inkomsten uit België in dat geval in de belastingheffing betrokken hadden moeten worden, waardoor het inkomen in de aanslag IB/PVV 2009 eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Belanghebbende kon in België slechts een deel van de hypotheekrente in aftrek brengen. In geschil is welke inkomsten van belanghebbende in het onderhavige jaar in de Nederlandse inkomstenbelasting moeten/mogen worden betrokken. De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat in het geval belanghebbende als binnenlands belastingplichtige belast wordt, de stamrechtuitkering in de Nederlandse grondslag opgenomen mag worden. Daarnaast oordeelde de Rechtbank dat, indien belanghebbende als buitenlands belastingplichtige belast wordt, een beroep op arresten van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) hem niet in een betere positie kan brengen omdat de Inspecteur belanghebbende reeds heeft toegestaan hypotheekrente ten aanzien van zijn Belgische woning in aftrek te brengen. Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het Hof oordeelt dat er geen sprake is van een met het Europees recht strijdige situatie als in het arrest Schumacker. Belanghebbende verdient immers voldoende inkomen in zijn woonstaat, zodat voldoende rekening is gehouden met de betaalde hypotheekrente. Daaraan doet niet af dat de op grond van de Belgische wetgeving verleende aftrek kleiner is dan de aftrek die ter zake van de hypotheekrente bij toepassing van de Nederlandse wet zou worden verleend. Het Hof oordeelt bovendien dat indien belanghebbende op grond van artikel 2.5 Wet IB 2001 kiest voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplicht, de stamrechtuitkering initieel wel in de Nederlandse grondslag betrokken mag worden. Belanghebbende stelt in cassatie twee middelen voor. Belanghebbendes eerste middel strekt ertoe dat Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat in België voldoende rekening is gehouden met negatieve inkomsten uit de woningen in België. Het tweede middel bestrijdt ’s Hofs oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op hypotheekrenteaftrek omdat deze als buitenlands belastingplichtige in België voldoende inkomen geniet om rekening te houden met bedoelde rente. Belanghebbende stelt dat deze behandeling in strijd komt met de door het HvJ gewezen arresten Renneberg en Commissie/Estland. A-G Niessen meent dat het van belang is om eerst te constateren dat belanghebbende verschillende keren zijn keuze voor binnenlandse dan wel buitenlandse belastingplicht heeft gewijzigd. In beroep, in hoger beroep en in cassatie kiest belanghebbende primair voor de behandeling als buitenlands belastingplichtige. Daarvan uitgaande, alsmede in aanmerking nemende dat aftrek van hypotheekrente in de primaire aanslag reeds is verleend aan belanghebbende, kunnen belanghebbendes middelen hem niet in een betere positie brengen. Vervolgens onderzoekt de A-G of ambtshalve cassatie belanghebbende zou kunnen baten. Vooropgesteld zij dat uit de stukken van het geding naar voren komt dat belanghebbende en de Inspecteur in feite tevens twisten over de opname van de stamrechtuitkering in de Nederlandse belastinggrondslag. Uit de stukken van het geding blijkt dat het hier gaat om een periodieke uitkering uit een recht als bedoeld in artikel 18 van het belastingverdrag tussen Nederland en België. Uitgaande van buitenlandse belastingplicht en in aanmerking nemende dat de uitkering € 25.000 niet te boven gaat, meent de A-G dat de stamrechtuitkering inderdaad ten onrechte opgenomen is in de Nederlandse grondslag. Indachtig de visie van de A-G dat de stamrechtuitkering uit de Nederlandse grondslag gezuiverd moet worden, wordt de behandeling van belanghebbendes middelen inzake de hypotheekrenteaftrek toch weer relevant. In het geval die middelen slagen, leidt het zuiveren van de stamrechtuitkering uit de Nederlandse grondslag immers daadwerkelijk tot een verlaging van de verliesvaststellingsbeschikking. Indien de middelen niet slagen, wordt de verlaging als gevolg van het zuiveren van de stamrechtuitkering uit de Nederlandse grondslag, volledig geneutraliseerd door (een gedeelte van) de hypotheekrente alsnog niet in aftrek toe te laten op basis van interne compensatie. De A-G constateert dat uit de arresten Schumacker, Renneberg en Commissie/Estland volgt dat in gevallen waarin een aanmerkelijk deel van het (gezins)inkomen in de woonstaat verdiend wordt, de werkstaat geen persoonlijke aftrekposten hoeft te verlenen. Voorgaande uitleg zou leiden tot de conclusie dat belanghebbende (die ongeveer 31% van diens inkomen in België belast ziet worden) in Nederland geen aanspraak geldend kan maken op hypotheekrenteaftrek. De A-G meent echter ook dat bovenstaande interpretatie niet boven alle twijfel verheven is gegeven onder andere de arresten Meindl en Wallentin. De A-G adviseert om prejudiciële vragen te stellen om deze onduidelijkheid weg te nemen. Conclusie: de conclusie strekt tot het stellen van prejudiciële vragen en het aanhouden van de zaak tot daarop antwoorden zijn verkregen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 18 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:387
- Rb. Den Haag 21 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:11906
- Hof van Justitie van de Europese Unie 10 mei 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW6086
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 16 oktober 2008, ECLI:NL:XX:2008:BG4361
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 25 januari 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA0202
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 12 december 2006, ECLI:NL:XX:2006:AZ6796
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 1 juli 2004, ECLI:NL:XX:2004:AV3489
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 14 februari 1995, ECLI:NL:XX:1995:AV8223