Rb. Rotterdam 14 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9835
ODF en Delta zijn aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Zij willen beiden een glasvezelnetwerk in de gemeente Papendrecht aanleggen. Daarvoor hebben zij op grond van artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet instemming van het college nodig. Het geschil spitst zich toe op de vraag welke partij als eerste in een bepaald gebied mag graven en of daarbij voorts graafrust mag worden opgelegd aan de andere partij. Bij een belangenafweging komt zwaar gewicht toe aan het belang van Delta om de gestarte werkzaamheden voort te kunnen zetten alsook aan het door het college te behartigen belang van omwonenden om niet langer dan nodig met overlast te worden geconfronteerd in gebied B. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wegen deze belangen onder de gegeven omstandigheden zwaarder dan het belang van ODF dat alsnog via een ordemaatregel wordt bereikt dat Delta met betrekking tot gebied B de werkzaamheden ten dele zal moeten staken. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding in te grijpen met een voorlopige voorziening voor wat betreft de geldigheidsduur van de bestreden besluiten 1 en 2. Tot een ander oordeel komt de voorzieningenrechter ten aanzien van de graafrust die is voorzien in voorschrift 7 van de bestreden besluiten 1 en 2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorschrift 7, die in alle instemmingsbesluiten is opgenomen, te onbepaald. Voorts heeft het college ook in zoverre de hoorplicht in de zin van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb geschonden. Verder is niet gemotiveerd waarom een graafrustperiode van 12 maanden nodig is.
De uitspraak op rechtspraak.nl