Rb. Rotterdam 1 december 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU6946

AFM heeft [A] een bestuurlijke boete opgelegd van € 62.500 wegens overtreding van artikel 4:19 lid 2 Wft. Voorts heeft AFM meegedeeld de boeteoplegging openbaar te zullen maken. In haar uitspraak tussen partijen van heden (11/1484 BC-T2) heeft de rechtbank ter zake van de oplegging van een last onder dwangsom door AFM aan [A] geoordeeld dat AFM op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat [A] artikel 51a lid 1 BGfo heeft overtreden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. Omdat de inhoudelijke normstelling van artikel 51a lid 1 BGfo niet verschilt van artikel 4:19 lid 2 Wft, doch daar slechts een concrete invulling aan geeft, staat daarmee voorts vast dat [A] tevens artikel 4:19 lid 2 Wft heeft overtreden. Hoewel AFM bij de vastgestelde boete fors in neerwaartse lijn is afgeweken van het basisbedrag van € 500.000,00 is de voorzieningenrechter van oordeel dat met de aldus vastgestelde boete geen rekening is gehouden met de beperkte ernst van de gedraging. De voorzieningenrechter volgt in dit verband het betoog van [A] dat de omstandigheid dat zij in haar door AFM goedgekeurde prospectus in niet mis te verstane bewoording de aan het financiële instrument klevende risico’s heeft genoemd en ook op haar website evenwichtige informatie heeft opgenomen afbreuk doet aan de ernst van de overtreding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen