Art. 6:193i BW, Oneerlijke handelspraktijken
Burgerlijk Wetboek Boek 6 (BW6)
De volgende handelspraktijken zijn onder alle omstandigheden agressief:
a. de indruk geven dat de consument het pand niet mag verlaten alvorens er een overeenkomst is opgesteld;
b. het verzoek van de consument om zijn huis te verlaten of niet meer terug te komen, te negeren, behalve indien, en voor zover wettelijk gerechtvaardigd wordt beoogd een contractuele verplichting te doen naleven;
c. hardnekkig en ongewenst aandringen per telefoon, fax, e-mail of andere afstandsmedia tenzij, voorzover wettelijk gerechtvaardigd, wordt beoogd een contractuele verplichting te doen naleven;
d. een consument die op grond van een verzekeringspolis een vordering indient, om documenten vragen die redelijkerwijs niet relevant kunnen worden geacht om de geldigheid van de vordering te beoordelen, dan wel systematisch weigeren antwoord te geven op daaromtrent gevoerde correspondentie met de bedoeling de consument ervan te weerhouden zijn contractuele rechten uit te oefenen;
e. kinderen in reclame er rechtstreeks toe aanzetten om geadverteerde producten te kopen of om hun ouders of andere volwassenen ertoe over te halen die producten voor hen te kopen;
f. vragen om onmiddellijke dan wel uitgestelde betaling of om terugzending of bewaring van producten die de handelaar heeft geleverd, maar waar de consument niet om heeft gevraagd;
g. de consument uitdrukkelijk meedelen dat, als hij het product of de dienst niet koopt, de baan of de bestaansmiddelen van de handelaar in het gedrang komen;
h. de bedrieglijke indruk wekken dat de consument al een prijs heeft gewonnen of zal winnen dan wel door een bepaalde handeling te verrichten een prijs zal winnen of een ander soortgelijk voordeel zal behalen, als er in feite:
1°. geen sprake is van een prijs of een ander soortgelijk voordeel; of
2°. als het ondernemen van stappen om in aanmerking te komen voor de prijs of voor een ander soortgelijk voordeel afhankelijk is van de betaling van een bedrag door de consument of indien daaraan voor hem kosten zijn verbonden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 8 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:191
- CBb 30 januari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:25
- Rb. Rotterdam 13 december 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY6184
- Rb. Midden-Nederland 24 juni 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2301
- Rb. Noord-Holland 30 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:10650
- Rb. Rotterdam 12 mei 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ4829
- Rb. Noord-Nederland 20 februari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ1615
- Rb. Noord-Holland 10 augustus 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7910
- Rb. Noord-Holland 7 juni 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:5305
- Rb. Noord-Holland 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8323
- Hof Amsterdam 21 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:85
- Rb. Rotterdam 8 maart 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BV8617
- Rb. Rotterdam 12 november 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO3707
- Rb. Noord-Nederland 19 mei 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1885
- Rb. Noord-Holland 13 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:12695
- Rb. Noord-Holland 23 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:5067
- Conclusie A-G Hartlief 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:986
- Conclusie A-G Hartlief 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:985
- CBb 10 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:103
- Rb. Utrecht 16 mei 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5843