Rb. Den Haag 17 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12216
In de strafzaak MH17 spreekt de rechtbank één verdachte vrij en veroordeelt zij drie verdachten tot een levenslange gevangenisstraf. Het vonnis gaat uitgebreid in op de ontvankelijkheid van de officier van justitie. Dat bevat de vraag van rechtsmacht vanwege een buiten Nederland gelegen plaats delict en de uiteenlopende nationaliteiten van de slachtoffers. Daaronder vallen ook beschouwingen over combattantenimmuniteit in een internationaal gewapend conflict. Daarnaast bespreekt de rechtbank het zogenoemde rauwelijks dagvaarden en de gevolgen daarvan. Verder gaat de rechtbank in op uitlatingen van het Joint Investigation Team (JIT) en het Openbaar Ministerie in persconferenties over de oorzaak van het neerstorten van vlucht MH17 en het tonen van persoonlijke gegevens en foto’s van verdachten daarbij. Tevens bespreekt de rechtbank de gevolgen van interviews en van het publiceren op internet van delen van het procesdossier in een digitale applicatie door het Openbaar Ministerie. De rechtbank toetst aan de “overal fairness of the trial”, de eerlijke procedure als bedoeld in artikel 6 EVRM en constateert enkele procedurele gebreken. Tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leiden die niet. Het vonnis bevat verder uitgebreide beschouwingen over de bruikbaarheid voor het bewijs van verklaringen van anonieme en bedreigde getuigen, over manipulatie van beeld- en tapmateriaal, over deskundigenbewijs en de bruikbaarheid van bewijs uit bedenkelijke bron. De bewijsmiddelen leiden de rechtbank tot de conclusie dat vlucht MH17 is neergestort door het afvuren van een Buk-raket vanaf een Buk-TELAR vanuit door separatisten bezet gebied. Opzet en voorbedachten raad op de dood van de inzittenden zijn door de aard van dit handelen gegeven. Een eventuele vergissing in doel disculpeert de verantwoordelijken niet. De hoogste legerleider is als functioneel pleger verantwoordelijk voor het doen neerstorten van vlucht MH17 en de dood van de 298 inzittenden. Vanwege hun directe betrokkenheid bij het mogelijk maken van de inzet van het wapen beschouwt de rechtbank twee verdachten als klassiek medepleger. De vierde verdachte wordt vrijgesproken. Deze had geen directe eigen rol in de criminele handelingen en was dus geen medepleger. Wel aanvaardde deze verdachte de inzet van het wapen en dus ook de gevolgen van die inzet, maar omdat hij niet over die inzet kon beschikken kan hij niet als functioneel pleger worden aangemerkt. Van uitlokking of medeplichtigheid is bij gebrek aan enige relevante handeling evenmin sprake. Op de 306 vorderingen tot schadevergoeding is het Nederlandse procesrecht van toepassing. Inhoudelijk worden de vorderingen beoordeeld naar Oekraïens burgerlijk recht. Dat maakt vergoeding van immateriële schade, waaronder affectieschade, mogelijk voor feiten uit 2014. In het kader van de verstektoets acht de rechtbank de gevorderde forfaitaire bedragen voor immateriële schade niet onrechtmatig of ongegrond. De rechtbank wijst ruim 16 miljoen Euro aan schadevergoeding toe.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 21b RO
- Artikel 69 OWVO
- Artikel 5 Sr
- Artikel 8b Sr
- Artikel 8d Sr
- Artikel 36f Sr
- Artikel 47 Sr
- Artikel 48 Sr
- Artikel 55 Sr
- Artikel 57 Sr
- Artikel 168 Sr
- Artikel 287 Sr
- Artikel 289 Sr
- Artikel 30 Sv
- Artikel 36f Sv
- Artikel 51f Sv
- Artikel 51g Sv
- Artikel 132a Sv
- Artikel 182 Sv
Aangehaalde uitspraken
- HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198
- HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958
- HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812
- HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576
- HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890
- Rb. Limburg 13 november 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:10220
- HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793
- HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:895
- HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241
- HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201
- HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718
- HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474
- HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629
- HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0148
- HR 8 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0681
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:802