HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12

OM-cassatie. Vrijspraak deelname aan terroristische organisatie (Al Qaida en/of Islamitische Staat), art. 140a.1 Sr. ’s Hofs overwegingen t.a.v. vrijspraak onderling tegenstrijdig? Middel steunt kennelijk op de opvatting dat voor een veroordeling o.g.v. art. 140a Sr toereikend is dat organisatie een terroristisch oogmerk heeft in de zin van art. 83a Sr, dus het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Die opvatting steunt op een onjuiste lezing van art. 140a.1 Sr. Voor een veroordeling o.g.v. art. 140a.1 Sr is niet voldoende dat sprake is van deelneming aan organisatie die tot terroristisch oogmerk heeft het plegen van misdrijven (van welke aard dan ook). Volgens art. 140a.1 Sr moet het gaan om organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in art. 83 Sr, mits begaan met in art. 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk. In het licht hiervan zijn ’s Hofs overwegingen niet onderling tegenstrijdig en/of onbegrijpelijk en kunnen zij de gegeven vrijspraak dragen. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen