Rb. Den Haag 12 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5967
VERWIJZINGSUITSPRAAK – verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) om in een spoedprocedure uitspraak te doen op prejudiciële vragen. Eiser is een niet-begeleide minderjarige jongen die ten tijde van de verwijzingsuitspraak zeventien jaar en vier maanden oud is. Ten gevolge van traumatiserende ervaringen kampt eiser met forse medische problematiek. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet voor bescherming in aanmerking komt op grond van het door verweerder geloofwaardig geachte asielrelaas. Partijen zijn verdeeld over het beleid en de praktijk van verweerder met betrekking tot het opleggen van een terugkeerplicht aan niet-begeleide minderjarigen die ouder zijn dan vijftien jaar. Het recht van de Unie heeft in meerdere bepalingen aangegeven welke waarde toekomt aan het belang van het kind. De rechtbank overweegt dat kinderen niet alleen lichamelijk, geestelijk en emotioneel maar ook juridisch minderjarig zijn. Dit brengt mee dat de lidstaten (ook) een bijzondere verantwoordelijkheid hebben als kinderen partij zijn in een juridische procedure. Artikel 3, negende lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Terugkeerrichtlijn) bepaalt dat minderjarigen en niet-begeleide minderjarigen voldoen aan de definitie van “kwetsbaren”. De rechtbank is van oordeel dat niet-begeleide minderjarigen nog kwetsbaarder zijn dan minderjarigen die vergezeld van ouders of meerderjarige familieleden vluchtelingrechtelijke of asielrechtelijke bescherming vragen aan de lidstaten van de Unie. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet zo zijn dat verweerder aan niet-begeleide minderjarigen die vijftien jaar of ouder zijn een juridische plicht oplegt om het grondgebied van de lidstaten te verlaten zonder zich ervan te vergewissen of in het land van herkomst of elders buiten de Unie adequate opvang aanwezig is. Eveneens kan het naar het oordeel van de rechtbank niet zo zijn dat verweerder een terugkeerplicht oplegt, daarmee bepaalt dat voortgezet verblijf onrechtmatig is, en vervolgens geen uitzettingshandelingen verricht maar eenvoudigweg wacht totdat eiser meerderjarig is. Naar het oordeel van de rechtbank is het maken van onderscheid tussen minderjarigen op grond van leeftijd niet toegestaan op de wijze zoals dit is vastgesteld in het Nederlandse beleid. De rechtbank wenst dan ook nadere uitleg van het HvJ-EU te verkrijgen over de relevante Unierechtelijke bepalingen om zodoende uitspraak te kunnen doen in de onderhavige zaak. De rechtbank stelt de navolgende vragen aan het HvJ-EU: I Dient artikel 10 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), overweging 22 van de considerans en artikel 5, onder a, van de Terugkeerrichtlijn en artikel 15 van de Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn), aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat voordat aan een niet-begeleide minderjarige een terugkeerplicht wordt opgelegd zich ervan dient te vergewissen en hiernaar onderzoek te verrichten of in het land van herkomst adequate opvang in beginsel aanwezig is? II Dient artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest, aldus te worden uitgelegd dat het een lidstaat niet is toegestaan om onderscheid naar leeftijd te maken bij toestaan van rechtmatig verblijf op het grondgebied als wordt vastgesteld dat een niet-begeleide minderjarige niet in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming? III Dient artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, aldus te worden uitgelegd dat indien een niet-begeleide minderjarige geen gevolg geeft aan zijn terugkeerplicht en de lidstaat geen concrete handelingen verricht en zal verrichten om tot uitzetting over te gaan, de terugkeerplicht dient te worden geschorst en daarmee rechtmatig verblijf moet worden toegestaan? Dient artikel 8, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. aldus te worden uitgelegd dat het opleggen van een terugkeerbesluit aan een niet-begeleide minderjarige zonder daarna uitzettingshandelingen te verrichten totdat de niet-begeleide minderjarige de leeftijd van achttien jaar bereikt in strijd moet worden geacht met het loyaliteitsbeginsel en het beginsel van gemeenschapstrouw?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 20 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1612
- ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1153
- ABRvS 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1733
- ABRvS 1 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1015
- ABRvS 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6837
- ABRvS 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7803
- ABRvS 16 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9503
- ABRvS 27 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG6945
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:465
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:544