ABRvS 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6837

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 april 2012 in zaak nr. 201102602/1/V2; www.raadvanstate.nl) [LJN: BW3971] volgt uit artikel 3, aanhef en onder 4, van de Terugkeerrichtlijn dat met het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de eerste plaats wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en dat vervolgens tot het opleggen van een terugkeerverplichting binnen een daartoe, overeenkomstig artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn, gestelde termijn kan worden overgegaan. In deze zaak had de betrokken vreemdeling nadat met een afwijzend besluit zijn rechtmatig verblijf hier te lande was beëindigd, als gevolg van het indienen van zijn opvolgende - aanvraag opnieuw rechtmatig verblijf gekregen, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Hetgeen in bovenstaande uitspraak aldus is overwogen betekent evenwel niet dat de minister bij beëindiging van de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 en derhalve van het rechtmatig verblijf gehouden is opnieuw een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Gelet op de bewoordingen van artikel 64 van de Vw 2000 ziet deze bepaling op een humanitaire reden in de zin van artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Voorts is het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, in geval van een tijdelijk reisbeletsel voor de uitzetting, een andere vorm van toestemming tot verblijf in de zin van voormeld artikel 6, vierde lid, omdat in dat geval uit de toepasselijke nationale wet- en regelgeving volgt dat geen verblijfsvergunning wordt verleend. Uit het voorgaande volgt dat toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 valt onder de in artikel 6, vierde lid, gestelde uitzondering op de in artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn gestelde verplichting een terugkeerbesluit uit te vaardigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen