ABRvS 27 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG6945
Mvv-vereiste / vrijstelling / Nederlands kind / BMA geen adviseur in de zin van artikel 3:5, eerste lid, van de Awb Voor zover de vreemdelingen hebben gesteld dat het kind de Nederlandse nationaliteit bezit, geldt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat die stelling niet kan worden gevolgd, nu de vreemdelingen deze niet hebben onderbouwd met objectief verifieerbare stukken. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn opgenomen in artikel 3.71 van het Vb 2000. Blijkens het tweede lid, onderdeel b, behoort daartoe ook de vreemdeling van twaalf jaar of jonger die in Nederland is geboren en naar het oordeel van de staatssecretaris feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die sedert het moment van geboorte van de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 of als Nederlander, dan wel op het moment van geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van artikel 8, onder f tot en met k, van de Vw 2000 en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Nu vaststaat dat het kind niet aan deze voorwaarden voldoet en daarom niet reeds vanwege de geboorte in Nederland voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt, kan het betoog van de vreemdelingen niet slagen. [...] De vreemdelingen betogen terecht dat het BMA geen adviseur is in de zin van artikel 3:5, eerste lid, van de Awb. Dat laat evenwel onverlet dat de staatssecretaris bij de uitoefening van zijn bevoegdheden advies kan vragen aan het BMA en van de juistheid van een advies van het BMA mag uitgaan, indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld en geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Het enkele betoog van de vreemdelingen dat het BMA een onderdeel vormt van de IND en daarmee onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris werkt, biedt – wat van dit betoog ook moge zijn – geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in het besluit van 1 november 2007 niet van het advies van het BMA heeft mogen uitgaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl