ABRvS 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7803

Reeds uit de bewoordingen van voormeld artikellid, gelezen in samenhang met de overige artikelen, volgt dat de daarin voorgeschreven onderzoeksplicht naar de daadwerkelijke beschikbaarheid van opvang voor de niet-begeleide minderjarige eerst aan de orde is in het geval de minderjarige niet binnen de hem daartoe gestelde termijn voor vrijwillig vertrek aan zijn terugkeerverplichting voldoet en daardoor voor de minister de bevoegdheid ontstaat om hem uit te zetten. Andere taalversies, zoals de Engelse, Franse en Duitse versie van deze bepaling, bevestigen deze lezing. De door de minister voorgestane handelwijze, inhoudende dat hij eerst in het kader van zodanige uitzetting beoordeelt of hij de minderjarige op dat moment naar opvang in de zin van art. 10, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn kan terugsturen, is dan ook niet in strijd met dit artikellid. Aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre de implementatie van deze richtlijnbepaling de minister ertoe verplicht bij de uitzetting een beoordeling te verrichten die verder strekt dan de beoordeling die hij reeds in het kader van de toelatingsprocedure heeft verricht, wordt derhalve thans niet toegekomen. Gelet hierop klaagt de minister terecht dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 29 maart 2011 in strijd is met de Terugkeerrichtlijn.-

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen