Conclusie A-G Pauwels 6 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:916
Box 3; jaar 2019. Begrip ‘werkelijk rendement’. Op basis van welke WOZ-waarden dient de vermogenswinst op een tweede woning te worden bepaald? Moet bij het bepalen van het werkelijk rendement ook rekening worden gehouden met enig voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning? Aan belanghebbenden zijn aanslagen IB/PVV 2019 opgelegd waarin box 3-heffing is begrepen. Het Hof oordeelt dat de box 3-heffing moet plaatsvinden op basis van het werkelijk behaalde rendement, aangezien dat lager is dan het herstelwettelijk rendement. Het door het Hof vastgestelde werkelijk rendement omvat niet een ongerealiseerde waardestijging van de tweede woning van belanghebbenden, en evenmin inkomen of kosten voor de tweede woning. A-G Pauwels besteedt in zijn conclusie slechts kort aandacht aan het beroep in cassatie van de Staatssecretaris. De A-G concludeert aan de hand van de box 3-arresten van 6 juni 2024 dat het beroep slechts gegrond is voor zover het de klacht betreft over de ongerealiseerde waardestijging van de tweede woning. Het zwaartepunt van de conclusie is gelegen in twee andere onderwerpen. Het eerste onderwerp is van belang voor afdoening van de zaak. Uit HR BNB 2024/88 volgt dat voor de bepaling van de vermogenswinst op een woning in een jaar, de waarden daarvan aan het begin en aan het einde van het jaar moeten worden bepaald op basis van de Wet WOZ. De vraag is om welke WOZ-waarden het gaat. De A-G begrijpt HR BNB 2024/88 zo dat het gaat om het verschil tussen – in dit geval (het jaar 2019) – de WOZ-waarde 2020 en de WOZ-waarde 2019. Dit impliceert (echter) dat feitelijk de waardemutatie over 2018 (en niet over 2019) wordt vastgesteld. De A-G onderzoekt aan de hand van twee casusposities (verkoop van een woning; investering in een woning) of deze “t-1-benadering” anderszins – naast de spanning met de realiteit – frictie oproept. De analyse leert dat beide casusposities geen eenduidige additionele tegenargumenten opleveren tegen de benadering. Er is in dat opzicht geen reden voor een koersbijstelling. Het tweede onderwerp betreft de vraag of tot het werkelijk rendement ook behoort enig voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning. Het impliciete oordeel van het Hof dat het antwoord negatief is, is in cassatie niet bestreden. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om in deze zaak ten overvloede duidelijkheid te geven over de kwestie. De A-G komt tot de conclusie dat het voordeel wegens eigen gebruik zou moeten behoren tot het werkelijke rendement, maar dat met het voordeel toch geen rekening kan worden gehouden omdat kwantitatieve aanknopingspunten ontbreken om de omvang van dat voordeel te bepalen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 2 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1084
- HR 2 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1086
- HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:855
- HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857
- HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:860
- HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704
- HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705
- Hof Den Haag 5 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:327
- Conclusie A-G Pauwels 9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1
- Conclusie A-G Pauwels 9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:137
- Conclusie A-G Pauwels 9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:138
- Hof Den Haag 28 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2776
- Rb. Zeeland-West-Brabant 10 november 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7855
- Hof 's-Hertogenbosch 30 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2777
- Rb. Noord-Holland 25 augustus 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:13146
- Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5574
- Rb. Den Haag 5 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13420
- Rb. Den Haag 5 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13422
- HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:771
- Conclusie A-G Niessen 1 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:318