Conclusie A-G Pauwels 9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:138
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:1 Art. 5.2 Wet IB 2001. Box 3. Kerstarrest. Wet rechtsherstel box 3. Kan de Wet rechtsherstel box 3 meebrengen dat niet langer sprake is van een EVRM-schending in een geval waarin die wet niet leidt tot wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen? Oordeel Hof over ‘werkelijk behaald rendement’ vol toetsen voor zover het inhoudt wat behoort tot dat rendement? Behoort ongerealiseerde waardestijging daartoe? Behoren slechts kosten ter verwerving, inning of behoud van inkomsten daartoe? Behoort rekening te worden gehouden met het heffingvrije vermogen? Deze zaak betreft een box 3-zaak. Het Hof heeft uitspraak gedaan ná de inwerkingtreding van de Wet rechtsherstel box 3. Het heeft vastgesteld dat in het geval van belanghebbende die wet niet leidt tot een lager voordeel uit sparen en beleggen. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat een op rechtsherstel gerichte compensatie moet worden geboden, omdat het werkelijk behaalde rendement lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen. Bij de vaststelling van dat rendement heeft het Hof geen rekening gehouden met kosten in verband met een niet-verhuurd appartement in Frankrijk, met een waardestijging van een verhuurde woning in Den Haag en ook niet met enig deel van het heffingvrije vermogen. De Staatssecretaris heeft principaal beroep in cassatie ingesteld en belanghebbende incidenteel beroep in cassatie. A-G Pauwels komt – mede aan de hand van zijn bevindingen in de bijlage bij zijn conclusie – tot onder meer de volgende beoordeling: 1) Het cassatiemiddel van de Staatssecretaris maakt niet duidelijk welke bepaling van de Wet rechtsherstel box 3 is geschonden, maar klaarblijkelijk heeft het middel het oog op art. 1(3), aangezien die bepaling meebrengt dat in dit geval het voordeel uit sparen en beleggen niet wijzigt 2) Het oordeel van het Hof is in dat opzicht niet in overeenstemming met de Wet rechtsherstel box 3, maar dat betekent nog niet dat het niet in overeenstemming is met het recht. Die wet brengt voor dit geval mee dat het voordeel uit sparen en beleggen (nog steeds) wordt bepaald op basis van het forfaitaire stelsel in de Wet IB 2001. Gelet op het kerstarrest, leidt dat forfaitaire stelsel dan ook (nog steeds) tot een EVRM-schending in het geval dat het voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Als dat laatste het geval is, heeft het Hof terecht in rechtsherstel voorzien. 3) De Hoge Raad moet een oordeel van de feitenrechter over het ‘werkelijk behaalde rendement’ vol toetsen voor zover het oordeel inhoudt wat tot dat rendement behoort, niet alleen in het kader van de vraag of het EVRM is geschonden maar ook in het kader van een op rechtsherstel gerichte compensatie. 4) Een ongerealiseerde waardevermeerdering telt mee bij het bepalen van het werkelijk behaalde rendement. Het Hof is ten onrechte uitgegaan van het tegendeel. 5) Daarbij tellen niet slechts kosten ter verwerving, inning en behoud van inkomsten mee. Het Hof is ten onrechte ervan uitgegaan dat slechts zulke kosten in mindering komen op het werkelijk behaalde rendement. 6) Rechtsherstel in de vorm van heffing over het werkelijk behaalde rendement wordt verleend zonder rekening te houden met het heffingvrije vermogen. Het Hof heeft dus terecht geen rekening gehouden daarmee. 7) Ook met de ongerealiseerde waardestijging van de woning in Den Haag is het werkelijk behaalde rendement lager dan het voordeel uit sparen en beleggen. Het Hof heeft daarom terecht een op rechtsherstel gerichte compensatie verleend. Wel dient verwijzing te volgen voor onderzoek naar de op dat rendement in mindering te brengen kosten van het appartement in Frankrijk. Beide cassatieberoepen zijn volgens de A-G gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl