Art. 3.112 Wet IB 2001, Eigenwoningforfait
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
1. De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van:
2. De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning.
3. Met betrekking tot de eigen woning ter zake waarvan het tweede lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de eigenwoningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van die wet en van het tweede lid, tweede volzin.
4. De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil.
5. De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 0,55% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.350.000 de voordelen gesteld op € 7.425 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.350.000.
6. Met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum van de periode waarover de voordelen uit die eigen woning in aanmerking worden genomen gesteld op de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum waarop het adres van de desbetreffende eigen woning als woonadres van de belastingplichtige is opgenomen in de basisregistratie personen. De eerste volzin is niet van toepassing indien registratie van de belastingplichtige op het adres van de eigen woning in de basisregistratie personen niet mogelijk is of indien artikel 3.111, negende lid, toepassing vindt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7268
- Conclusie 4 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:41
- Conclusie A-G Wattel 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496
- HR 18 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1448
- Conclusie A-G OVERGAAUW 25 januari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB4406
- Hof 's-Hertogenbosch 30 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2777
- Hof 's-Hertogenbosch 17 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:571
- Hof Amsterdam 11 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2424
- Rb. Haarlem 28 april 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AW7214
- Conclusie A-G Pauwels 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:571
- Conclusie A-G OVERGAAUW 25 januari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB4400
- Hof 's-Hertogenbosch 4 februari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:347
- Hof Amsterdam 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2995
- Rb. Noord-Holland 25 augustus 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:13146
- Conclusie A-G Niessen 16 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:808
- Conclusie A-G ILSINK 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AD6058
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9036
- Rb. Noord-Holland 30 mei 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:4343
- Conclusie A-G Overgaauw 19 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP5966
- Conclusie A-G Wattel 5 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE8403