Hof 's-Hertogenbosch 30 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2777
Inkomstenbelasting. Bij het opleggen van aanslagen IB 2012 tot en met 2017 is de waarde van een polder gerekend tot de grondslag sparen en beleggen. Het hof is van oordeel dat de cultuurgronden die zijn ingericht voor agrarisch gebruik niet vallen onder de vrijstelling voor natuurterreinen, gelet op het feitelijke gebruik als landbouwgronden die o.b.v. artikel 17 UBIB 2001 zijn uitgesloten van de vrijstelling. Het beroep van belanghebbende op artikel 1, lid 2, Rangschikkingsbesluit doet aan dat oordeel niet af, gelet op het ontbreken van een dergelijke bepaling in de Wet IB en delegatiebepalingen en gelet op de NvT op het UBIB 2001. Ondergronden met erf en opstallen vallen niet onder de hiervoor genoemde vrijstelling en wat betreft de waarde van de slikken en schorren, die wél onder de vrijstelling vallen, doet de inspecteur - gelet op het hiernavolgende oordeel over de waarde - een geslaagd beroep op interne compensatie. Ten aanzien van die waarde is het hof namelijk met de rechtbank van oordeel dat de in het kader van de onteigening bepaalde waarde als uitgangspunt kan worden genomen voor het bepalen van de waarde in het economische verkeer. Dat wat daarover in hoger beroep verder nog is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Tenslotte is voor het jaar 2017 in geschil de schending van het recht op eigendom, het recht op compensatie en de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. In dit geval leidt toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 niet tot een vermindering van de aanslag, maar moet toch compensatie worden geboden. Het hof maakt uit de na het Kerstarrest gewezen jurisprudentie op dat vanaf het jaar 2017 de enige toets is of het forfaitair rendement hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, de samenstelling van het vermogen is irrelevant. Relevant is wat onder het werkelijk rendement moet worden verstaan. Het is onvoldoende concreet geworden hoe de waarde van de polder in 2017 is gemuteerd, reeds daarom kan in dit geval geen rekening worden gehouden met ongerealiseerde vermogensmutaties in 2017. Daarbij komt dat naar het oordeel van het hof het in aanmerking nemen van ongerealiseerde vermogensmutaties niet past binnen de huidige systematiek van box 3. Het hof is daarnaast van oordeel dat het voordeel uit eigen gebruik niet kan worden meegenomen bij de berekening van het werkelijke rendement, omdat dit voordeel op forfaitaire wijze is bepaald. Het beroep van de inspecteur op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 doet aan dat oordeel niet af. Ook de juridische kosten dienen niet te worden meegenomen bij het bepalen van het werkelijk rendement, nu die kosten onvoldoende verband hebben met de in 2017 genoten bruto-opbrengsten. De rechtbank heeft de aanslag IB terecht en naar een juist bedrag verminderd en het hoger beroep van zowel belanghebbende als de inspecteur is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1874
- ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3003
- HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:771
- HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720
- HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963
- Rb. Zeeland-West-Brabant 15 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1885
- HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7
- ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4074