Conclusie A-G Wattel 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042
Immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn; procedure over € 0,80 afrondingsverschil invorderingsrente. Gering financieel belang? Tellen nevenvorderingen mee voor de bepaling van de bagatelgrens van financieel belang bij de hoofdzaak? Contraire feitenrechtspraak; aanstaande Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm De belanghebbende wenst een vergoeding ad € 1.500 van veronderstelde psychische schade omdat hij een kleine anderhalf jaar langer dan wenselijk heeft gewacht op de uitslag van zijn door hem tot aan de Hoge Raad doorgeprocedeerde non-zaak. Het materiële procesbelang beloopt 80 cents. Hij wenst dat – ten onrechte - aan hem vergoede invorderingsrente ad € 1,20 naar boven wordt afgerond op € 2. Hij wenst dus € 1.500 gemeenschapsgeld te ontvangen omdat hij zeer langdurig, ongegrond, en op kosten van de gemeenschap, in drie rechterlijke instanties heeft geprocedeerd over een niet aan hem verschuldigd bedrag van 80 cents, zulks mede ten koste van de ambtelijke en rechterlijke capaciteit voor rechtszoekenden. Hij moet zich dus diep schamen. stelt echter dat het voor de beoordeling van de redelijke termijn van berechting in aanmerking te nemen procesbelang niet slechts € 0,80 beloopt, maar óók omvat zijn inzet om teruggaaf van griffierecht en vergoeding van psychische schade door termijnoverschrijding te ontvangen. A-G Wattel grijpt deze zaak aan voor enige algemene beschouwingen over vergoeding van veronderstelde immateriële schade bij onredelijk lange berechtingstermijnen in WOZ- en bpm-zaken, mede in het licht van (i) recente feitenrechtspraak die expliciet afwijkt van de van de Hoge Raad daarover, (ii) de inmiddels door de Tweede Kamer aanvaarde Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, die per 1 januari 2024 met overgangsrecht in werking treedt, en (iii) de praktijken van no cure no pay bureaus die zich in steeds grotere mate en ten koste van de rechterlijke capaciteit voor serieuzere zaken op WOZ- en bpm-bezwaren en -procedures werpen om op publieke middelen een verdienmodel te bouwen dat in strijd met de bedoeling van de wetgever de vergoedingsbeperkingen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) frustreert door immateriële-schadevergoeding (ISV) te denatureren tot overcompenserende proceskostenvergoeding (pkv). Feiten: De heffingsambtenaar van het Waterschap heeft de belanghebbende een aanslag watersysteemheffing/gebouwd 2010 opgelegd ad € 52,93 ter zake van een woning in Eindhoven naar een WOZ-waarde ad € 431.000. Na bezwaar tegen die waardering is de waarde verlaagd naar € 414.000; op grond daarvan is de aanslag watersysteemheffing 2010 verminderd naar € 50,84. De belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld, waarna de partijen het eens zijn geworden over een WOZ-waarde ad € 379.000 en de belanghebbende zijn beroep heeft ingetrokken. De heffingsambtenaar heeft daarom ook de aanslag watersysteemheffing/gebouwd verder verlaagd, met € 4,30. De invorderingsambtenaar heeft daarop € 1,20 invorderingsrente vergoed. De belanghebbende heeft tegen die beschikking invorderingsrente bezwaar gemaakt, dat door de invorderingsambtenaar ongegrond is verklaard. De belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld omdat hij niet € 1,20, maar € 2 invorderingsrente wenst. De Rechtbank oordeelde dat de belanghebbende überhaupt geen recht op invorderingsrente had omdat hij niet om uitstel van betaling had verzocht. De procedure had langer geduurd dan de volgens uw rechtspraak redelijke termijn, maar de Rechtbank zag geen grond voor de veronderstelling dat immateriële schade zou zijn geleden bij zo’n miniem procesbelang. De belanghebbende ging daartegen in hoger beroep, betogende dat de Rechtbank (i) buiten het geschil was gegaan; (ii) de invorderingsrente op € 2 had moeten bepalen; (iii) ten onrechte het verzoek om ISV wegens overschrijding van de redelijke termijn had afgewezen en (iv) ten onrechte geen pkv had toegekend, nu de invorderingsambtenaar vast zat aan zijn beschikking invorderingsrente ad € 1,20, hoezeer die ambtenaar ook nader mocht menen dat geen recht op invorderingsrente bestond. Het Hof zag ad (i) niet dat de Rechtbank buiten het geschil zou zijn gegaan, nu zij de vergoede invorderingsrente ad € 1,20, hoewel niet verschuldigd, niet had verminderd. Ad (ii) overwoog het Hof dat geen invorderingsrente wordt vergoed als niet om uitstel van betaling van de aanslag is verzocht (art. 28c Inv.), zoals in casu. Ad (iii): weliswaar waren na indiening van bezwaar meer dan 2 jaren verstreken bij de uitspraak van de Rechtbank, maar het Hof achtte afwijzing van ISV terecht omdat het financiële belang bij het beroep slechts € 0,80 beliep. Griffierecht en mogelijke proceskosten tellen volgens het Hof niet mee bij de bepaling van het financiële belang bij het beroep. Ad (iv) oordeelde het Hof dat het geenszins zo was dat de belanghebbende door de ruim tijdige standpuntwijziging van de ambtenaar genoopt zou zijn tot het instellen van het ongegronde (hoger) beroep, zodat de Rechtbank terecht geen pkv had toegekend. In cassatie betoogt de belanghebbende dat bij de vraag of de bagatel-uitzondering op de vooronderstelling van psychisch leed bij termijnoverschrijding (‘zeer gering financieel belang’, i.e. € 15 of minder; zie HR BNB 2017/83 in 6.4 hieronder), ook ‘nevenvorderingen’ meetellen als financieel belang, met name claims tot vergoeding van griffierecht en ISV. Het lijkt A-G Wattel evident dat griffierecht en ISV- en pkv-claims niet kunnen meetellen. Zouden zij wel meetellen, dan wordt de zijns inziens al veel te lage bagatelgrens van € 15 nooit onderschreden. Alleen al het griffierecht is altijd hoger dan € 15 en een ISV-claim is altijd minimaal € 500. De bagatelgrens zou volstrekt betekenisloos zijn. Een van de wetgeverlijke oogmerken van griffierecht in bestuursrechtelijke zaken is verder om belanghebbenden een zorgvuldige afweging te laten maken bij de vraag of zij een zaak aan de bestuursrechter voorleggen, juist in zaken met een gering financieel belang. Het meetellen van griffierecht voor ISV-doeleinden zou ook daar haaks op staan. Het meetellen van pkv-claims zou er verder toe leiden dat belastingplichtigen die een beroepsgemachtigde inschakelen (die altijd om pkv vraagt) altijd een hoger financieel belang kunnen stellen dan belastingplichtigen die zelf procederen en daarom überhaupt geen pkv-claim hebben. Het meetellen, tenslotte, van de ISV-claim zelf als financieel belang waarover spanning en frustratie zou kunnen bestaan waarvoor dus opnieuw ISV zou moeten worden geboden, produceert een in de eigen staart bijtende kurketrekkerredenering: een zichzelf voortbrengend altijd-prijs-vergoedingencircus. Uit het arrêt de règlement HR BNB 2016/140 volgde volgens de A-G al dat de voor ISV in aanmerking te nemen termijn eindigt als de rechter uitspraak doet over het fiscale geschil tussen de belastingplichtige en de inspecteur (“de hoofdzaak”). De termijn loopt dus niet door als de rechter bij de uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek heropent om later nog afzonderlijk uitspraak te doen over eventuele ISV. Wel begint op dat moment een nieuwe (kortere) termijn te lopen specifiek voor die afzonderlijke procedure over ISV. Ook uit HR BNB 2017/83 volgt de ongegrondheid van het cassatieberoep. De belanghebbende in die zaak had griffierecht betaald (€ 124) en kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand gemaakt (er werd een pkv ad € 1.980 toegekend). De Hoge Raad telde het griffierecht en de pkv echter niet mee als financieel procesbelang, maar ging uit van de door het Hof vastgestelde belastingheffingsbelangen ad in totaal maximaal € 195,65 resp. € 148,69. Belanghebbendes ongelijk volgt ook uit HR BNB 2022/137 waaruit blijkt dat de Hoge Raad met ‘de hoofdzaak’ bedoelt het geschil over de belastingheffing en waarin hij oordeelde dat voor vergoeding alleen in aanmerking komt de spanning en frustratie bij een belastingplichtige als gevolg van het geschil over de belastingheffing. A-G Wattel acht het cassatieberoep dus ongegrond. Hij geeft de Hoge Raad in overweging om aan te sluiten bij de in zijn conclusie weergegeven rechtspraak van de feitenrechters, met name bij die van de Rechtbank Midden-Nederland over ISV- en pkv-toekenning in WOZ- en bpm-zaken, vooruitlopend op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, die aansluit bij die rechtspraak van de rechtbanken. Los daarvan lijkt het hem wenselijk dat de Hoge Raad ook: (i) de ISV wegens termijnoverschrijding maximeert op het – zowel feitelijk als rechtskundig - pleitbare financiële belang bij de procedure in gevallen waarin een beroepsgemachtigde optreedt; en (ii) de bagatelgrens waarbeneden geen spanning en frustratie kan worden voorondersteld, maar aannemelijk gemaakt moet worden, aanzienlijk hoger stelt dan € 15. Conclusie: ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8799
- HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1271
- Conclusie A-G Pauwels 22 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:873
- Rb. Rotterdam 20 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:9216
- Hof Amsterdam 19 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2320
- Rb. Gelderland 27 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4366
- Rb. Amsterdam 20 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4717
- Rb. Den Haag 19 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12085
- Rb. Oost-Brabant 17 juli 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3765
- Hof Den Haag 13 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1599
- Rb. Rotterdam 12 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6161
- Rb. Rotterdam 12 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6162
- Rb. Rotterdam 12 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6163
- HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815
- Rb. Den Haag 6 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9463
- Hof 's-Hertogenbosch 31 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1795
- Rb. Noord-Holland 16 mei 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4577
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3012
- Rb. Midden-Nederland 1 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2592
- Rb. Zeeland-West-Brabant 5 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2404