Conclusie A-G Koopman 1 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:225
Is een verzoek om vergoeding van de bezwaarkosten een beschikking op aanvraag zodat de dwangsomregeling van toepassing is? Bevat de uitspraak op bezwaar een impliciete afwijzing van het verzoek? Deze zaak gaat over de vraag of een verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase een beschikking op aanvraag is. Als zo’n verzoek een aanvraag is, komt aan de orde of de inspecteur op grond van art. 4:17 Awb een dwangsom verschuldigd kan worden als hij niet tijdig op die aanvraag beslist. Belanghebbende in deze zaak heeft bezwaar gemaakt tegen een verzuimboete en bij het bezwaar verzocht om een kostenvergoeding. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de verzuimboete vernietigd maar niet uitdrukkelijk beslist op het verzoek om de kostenvergoeding. Belanghebbende heeft vervolgens de Inspecteur in gebreke gesteld en verzocht om alsnog te beslissen over de kostenvergoeding op last van dwangsom. De A-G is van mening dat belanghebbende terecht betoogt dat het verzoek om een vergoeding van de kosten van het bezwaar een aanvraag tot het geven van een beschikking is. De beslissing op dat schriftelijk verzoek is namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is. Daarmee voldoet deze beslissing aan alle elementen uit de in art. 1:3(1) en (2) Awb opgenomen definitie van een beschikking. De A-G is echter van mening dat aan belanghebbende geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen toekomt. De beslissing op het verzoek om een kostenvergoeding moet worden genomen bij de uitspraak op bezwaar. In dit geval is bij die uitspraak niet een vergoeding toegekend. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de aanvraag niet is gehonoreerd. Want met de uitspraak op bezwaar is de bezwaarfase geëindigd. De Inspecteur had geen nadere beslissing mogen nemen, maar nu hij dat toch heeft gedaan, mag belanghebbende daar niet de dupe van worden. De nadere beslissing moet ‘op een lijn’ worden besteld met een uitspraak op bezwaar, zodat een nieuwe termijn gaat lopen voor het instellen van beroep. Dit alles neemt niet weg dat de echte uitspraak op bezwaar al was gedaan, en bij die uitspraak is de aangevraagde kostenvergoeding niet toegekend. Daarmee is beslist op de aanvraag. Een andere beslissing in deze zaak is juridisch goed verdedigbaar, maar naar de overtuiging van de A-G rechtspolitiek niet verstandig. De belastingrechtspraak zucht namelijk onder formeel geneuzel. In toenemende mate gaat de aandacht van de deelnemers aan fiscale procedures uit naar formeelrechtelijke nevenbeslissingen, in plaats van dat die aandacht uitgaat naar het oorspronkelijke probleem, namelijk de hoogte van een belastingaanslag. Informeel en ook in de vakliteratuur wordt hierover de noodklok geluid. En ondertussen is er een ‘opstand der feitenrechters’ uitgebroken. Zij weigeren nog langer de uitwassen van als de excessief formalistisch ervaren rechtspraak van de Hoge Raad voor hun rekening te nemen. In het bijzonder is de hiervoor genoemde ‘opstand der feitenrechters’ fnuikend voor het gezag van de Hoge Raad. Het is daarom naar de overtuiging van de A-G rechtspolitiek nodig dat de Hoge Raad optreedt om dit excessief formalisme een halt toe te roepen. Precies het tegenovergestelde zou gebeuren als in een geval als dit een dwangsom wegens niet tijdig beslissen werd toegekend. Gelet op dit alles concludeert de A-G dat het niet verstandig is de dwangsomregeling van art. 4:17 Awb toepasbaar te achten in gevallen waarin ten onrechte in een uitspraak op bezwaar een uitdrukkelijke beslissing ontbreekt op een onderwerp waarover bij die beslissing op bezwaar (al dan niet bij voor bezwaar of beroep vatbaar besluit) moet worden beslist. Met de beslissing op bezwaar is een einde gekomen aan de bezwaarfase en eventuele omissies in die beslissing moeten liefst informeel, maar als dat niet lukt in beroep worden hersteld. De A-G komt tot de conclusie dat het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond is.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 22a AWR
- Artikel 23 AWR
- Artikel 24a AWR
- Artikel 25 AWR
- Artikel 26 AWR
- Artikel 20a Vpb
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 1:3 Awb
- Artikel 4:1 Awb
- Artikel 4:7 Awb
- Artikel 4:13 Awb
- Artikel 4:17 Awb
- Artikel 4:20 Awb
- Artikel 6:8 Awb
- Artikel 6:11 Awb
- Artikel 6:12 Awb
- Artikel 6:20 Awb
- Artikel 7:1 Awb
- Artikel 7:12 Awb
- Artikel 7:15 Awb
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Wattel 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042
- ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772
- HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:134
- Rb. Den Haag 28 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8038
- HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:89
- Rb. Zeeland-West-Brabant 29 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4928
- ABRvS 3 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2018
- CRvB 16 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2422
- CRvB 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:990
- Hof Amsterdam 27 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1168
- HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3191
- Conclusie A-G Hammerstein 1 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1179
- ABRvS 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1669
- HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516
- HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3875
- HR 16 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU8169
- HR 27 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1759
- HR 3 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5277
- HRVS, ECLI:NL:HRVS:2023:772