Conclusie A-G Ettema 7 mei 2021, ECLI:NL:PHR:2021:461
In oktober en november 2013 heeft belanghebbende dertien keer een elektronisch administratief document (e-AD) ingediend voor de verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns vanuit haar agp in Nederland naar een belastingentrepot in Italië. De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst is een strafrechtelijk onderzoek gestart bij belanghebbende met betrekking tot vermoedelijke fraude met alcoholhoudende dranken die niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen in de accijnsheffing zijn betrokken. In dat kader is een rechtshulpverzoek gezonden aan de bevoegde autoriteiten in Italië en is gevraagd of de hiervoor bedoelde zendingen van accijnsgoederen daadwerkelijk bij de geadresseerde zijn afgeleverd. In reactie op het verzoek hebben de Italiaanse autoriteiten onder meer meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat de accijnsgoederen niet bij de loods van de geadresseerde zijn aangekomen en dat de elektronische voltooiing van de verzendingen werd verzorgd vanuit een plek in Oekraïne. De Inspecteur heeft vervolgens belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is een naheffingsaanslag accijns op te leggen met betrekking tot de dertien zendingen. De belastingdeurwaarder heeft op 8 juli 2015 aan belanghebbende een dwangbevel met bevel tot betaling van een belastingaanslag accijns betekend. Bij het dwangbevel was een eveneens op 8 juli 2015 gedateerde brief van de Inspecteur aan belanghebbende gevoegd. Belanghebbende heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt, welk bezwaar de Inspecteur bij uitspraak heeft afgewezen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het Hof)heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof heeft geoordeeld dat de brief van de Inspecteur van 8 juli 2015 is aan te merken als een naheffingsaanslag omdat het alle voor een naheffingsaanslag benodigde gegevens bevat. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het dossier van een andere strafzaak niet behoort tot de stukken die de Inspecteur op grond van artikel 8:42 Awb over moet leggen. Verder kan een belastingplichtige naar het oordeel van het Hof aan Verordening (EU) nr. 389/20212 niet een recht ontlenen om het bestuursorgaan te dwingen een verzoek te doen aan een andere lidstaat tot het verstrekken van inlichtingen. Met betrekking tot het materiële geschilpunt, over de accijnsheffing, heeft het Hof geoordeeld dat bij de beoordeling of sprake is van een onregelmatigheid tijdens het overbrengen van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling moet worden aangeknoopt bij de feitelijke goederenstroom en dat het valselijk afmelden van een e-AD geen bewijs oplevert van de daadwerkelijke ontvangst van de goederen. Het Hof overweegt in dit kader dat de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onder richtlijn 92/12/EEG dat een vals of vervalst bewijs van ontvangst van accijnsgoederen niet kan worden aangemerkt als een bewijs van daadwerkelijke ontvangst van de goederen, ook onder de nieuwe richtlijn nog steeds van toepassing is. Het Hof heeft de stellingen van belanghebbende verworpen dat de overbrenging onder schorsing van de dertien zendingen is geëindigd nadat belanghebbende de berichten van ontvangst heeft ontvangen en dat zij daarna niet meer voor de accijnsheffing kan worden aangesproken. Daarbij acht het Hof van belang dat op belanghebbende als vergunninghouder van een agp ter zake van de heffing van accijns een risicoaansprakelijkheid rust. Aangezien de accijnsgoederen niet zijn aangekomen in het belastingentrepot van bestemming en tijdens de overbrenging geen onregelmatigheden zijn geconstateerd, worden de onregelmatigheden naar ’s Hofs oordeel geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending. Nederland is derhalve in beginsel heffingsbevoegd. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat de overbrenging regelmatig is geëindigd of waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden. Evenmin is gebleken dat een andere lidstaat accijns heeft geheven. De accijns is terecht van belanghebbende geheven, aldus het Hof. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en vijf middelen voorgesteld. Middel I richt zich tegen het oordeel dat de brief van de Inspecteur van 8 juli 2015 is aan te merken als een aanslagbiljet. Middel II betoogt dat het oordeel van het Hof dat het dossier van een andere strafzaak niet behoort tot de stukken die de Inspecteur op grond van artikel 8:42 Awb over moet leggen berust op een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Middel III betoogt dat het Hof niet of onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het verzoek van belanghebbende om met toepassing van artikel 8:45 Awb de Inspecteur of het ministerie van Financiën te verzoeken nadere inlichtingen te verstrekken door middel van een rechtshulpverzoek aan de Italiaanse autoriteiten. Middel IV betoogt dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden door te oordelen dat de onregelmatigheden niet tijdens de overbrenging zijn geconstateerd en daarom onduidelijk is wat er met de goederen is gebeurd. Middel V voert aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat op belanghebbende als vergunninghouder van een agp van verzending een risicoaansprakelijkheid blijf rusten, ook nadat de geadresseerde de zendingen valselijk heeft afgemeld. In hoofdstuk 2 van de conclusie gaat A-G Ettema eerst na hoe het overbrengen van accijnsgoederen plaatsvond onder de werking van richtlijn 92/12/EEG. Tevens gaat de A G na hoe de bepalingen van de richtlijn in de WA zijn geïmplementeerd en bespreekt de A-G de relevante rechtspraak van de Hoge Raad. In hoofdstuk 3 bespreekt de A-G vervolgens hoe het overbrengen van accijnsgoederen is geregeld in richtlijn 2008/118/EG en tot welke wijzigingen van de WA die richtlijn in dit verband heeft geleid. De A-G heeft de oude wetgeving naast de nieuwe wetgeving gezet om na te gaan of de regels voor het leveren van het bewijs dat een overbrenging overeenkomstig de eisen is geëindigd, zijn gewijzigd. De A-G concludeert dat dat niet zo is. In hoofdstuk 4 beoordeelt de A-G de middelen. De A G komt tot de conclusie dat alleen middel II terecht is voorgesteld. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 2 oktober 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2983
- Hof 's-Hertogenbosch 16 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:125
- HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786
- Rb. Zeeland-West-Brabant 18 oktober 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5976
- HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1113
- HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129
- HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:56
- CRvB 13 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7285
- HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5975
- HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823
- HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT8954
- HR 30 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2304
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2002:751
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:349
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:398
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:62
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:128