Hof 's-Hertogenbosch 16 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:125
Naheffing accijns; Wet op de accijns, Verordening EG 684/2009 van 24 juli 2009, Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008. Het Hof acht de vaste jurisprudentie onder de (oude) Accijnsrichtlijn (92/12/EEG van 25 februari 1992) dat een vals of vervalst bewijs van ontvangst van accijnsgoederen niet kan worden aangemerkt als een ontvangstbewijs, van toepassing op de Richtlijn 2008/118/EG en de Wet op de accijns. Verder is de verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns niet geëindigd nadat berichten van ontvangst (via het Excise Movement and Control System, EMCS) zijn ontvangen. Aan de registratie in EMCS van ontvangstberichten kan belanghebbende niet het vertrouwen ontlenen dat accijns niet zou worden nageheven. Op belanghebbende rust als vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats (AGP) ter zake van de heffing van accijns een risicoaansprakelijkheid. Voor de zendingen aan de Shurgard-opslagruimte in Zweden heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de accijnsgoederen hun bestemming niet hebben bereikt en is de naheffing voor uitslag uit de AGP terecht opgelegd. Belanghebbende heeft niet bewezen dat de onregelmatigheid zich elders heeft voorgedaan. Van de Italiaanse zendingen is de Inspecteur er niet in geslaagd de uitslag tot verbruik te bewijzen. Toen, volgens de ontvangstberichten in EMCS, afleveringen van accijnsgoederen in het belastingentrepot van de Italiaanse afnemer hebben plaatsgevonden, beschikte deze aldaar over bedrijfsruimte om de goederen in ontvangst te nemen. Dat bij een bezoek door de Italiaanse douaneautoriteiten aan het pakhuis kort na die ontvangst geen goederen zijn aangetroffen en bij de beheerder van het pakhuis geen administratie omtrent accijnsgoederen is aangetroffen, is onvoldoende om accijns na te heffen.
De uitspraak op rechtspraak.nl