Conclusie A-G Wattel 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:351
Rijnvarende in dienst van Luxemburgs uitzendbureau werkt voor Nederlandse scheepsexploitant en is sociaal verzekerd in Nederland, maar werkgever heeft In Luxemburg premies betaald; Svb weigert uitzonderingsprocedure ex art. 13 Rijnvarendenverdrag met Luxemburg; appellabele beschikking? Zo ja: gaat de Hoge Raad over zo’n weigering, gegeven de beperkte cassatiecontrole (art. 6 jo. 53 AOW)? Feiten: De belanghebbende werkte in 2007 aan boord van een Rijnvaartschip van een Nederlandse exploitant, maar stond op de loonlijst van een Luxemburgse vennootschap, die – naar thans blijkt ten onrechte – in Luxemburg premies voor hem heeft afgedragen voor een aantal sociale verzekeringen. De belanghebbende was in Nederland verplicht verzekerd. Hij heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) verzocht om, zo nodig via de overlegprocedure ex art. 13 Rijnvarendenverdrag (RVV) te bewerkstelligen dat hij over 2007 alleen in Luxemburg verzekerd zou zijn. De Svb heeft dat verzoek afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaar is ongegrond verklaard. Geschil: Naast diverse andere middelen, waarop de conclusie niet ingaat: zijn belanghebbendes verzoeken om overleg met Luxemburg terecht afgewezen? De Rechtbank Rotterdam heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, nu inleiding van de overlegprocedure van art. 13 RVV een discretionaire bevoegdheid van de Svb is. Het beleid van de Svb bij de beoordeling van dergelijke verzoeken acht de Rechtbank niet onredelijk en de Svb heeft in overeenstemming daarmee gehandeld. De Centrale Raad van Beroep heeft belanghebbendes hogere beroep verworpen omdat hij er op basis van correspondentie van de Belastingdienst in 2005 al rekening mee moest houden dat hij in Nederland verzekerd en premieplichtig was en geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die ertoe zouden nopen om desondanks overleg te initiëren. De belanghebbende stelt zes cassatiemiddelen voor. A-G Wattel gaat alleen in op de klachten over de afwijzing van belanghebbendes verzoek om een uitzonderingsprocedure met ex art. 13 RVV met Luxemburg voor zijn sociale-verzekeringsplicht. Voor de overige klachten verwijst hij naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor de acht arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/142 enz.). A-G Wattel meent dat de cassatiebepalingen in de artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ de Hoge Raad geen rechtsmacht geven om te oordelen over (i) de vraag of een weigering om overleg met een andere Rijnoeverstaat te openen een appellabel besluit is, noch over (ii) CRvB-uitspraken over een weigering van de Svb om op basis van art. 13 RVV overleg met een andere Staat te starten ten behoeve van een Rijnvarende, nu dat geen besluit is over het al dan niet bestaan van verzekeringsplicht, met name niet als beide Staten het eens zijn, zoals in casu, dat het RVV Nederland aanwijst als exclusief bevoegd. De wetsgeschiedenis noch de rechtspraak van de Hoge Raad over de betekenis van internationale regelingen voor de verzekeringsplicht nopen tot cassatiemogelijkheden, nu (i) geen risico bestaat van tegenstrijdige uitspraken van de sociale-verzekeringsrechter en de belastingrechter en (ii) geen dispuut bestaat over de verzekeringsplicht onder de dwingende aanwijsregels van het RVV. Belanghebbende wenst dat voor hem een uitzondering wordt gemaakt op die dwingende aanwijsregels. De vraag of dat beleidsmatig opportuun is, is volgens de A-G een politieke of diplomatieke aangelegenheid en geen vraag over de uitleg of toepassing van een van de in de cassatiebepalingen genoemde artikelen over het bestaan van verzekeringsplicht ex de nationale wet of het RVV, over de uitleg waarvan in casu bovendien geen dispuut bestaat. De A-G acht het cassatieberoep daarom op het punt van de weigering van een uitzonderingsprocedure niet-ontvankelijk. Voor zover de belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden waarvoor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst, een unilaterale premie-ontdubbelingsregeling hebben getroffen, lijkt het cassatieberoep volgens de A-G op dit punt ook om die reden al niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang. Bij de conclusie is een bijlage gevoegd die ook gaat bij de zaak 20/01343 (over het regime ná 1 mei 2010) en waarin de gemeenschappelijke aspecten van de zaken worden behandeld: (i) het ‘besluit’-begrip; (ii) de uitzonderingsprocedure onder het oude regime van het Rijnvarendenverdrag en onder het nieuwe regime van Vo. (EG) 883/2004; (iii) de beperkte cassatienogelijkheden in sociale-verzekeringszsken en (iv) de rechtspraak van de Afdeling BRvS over verzoeken van belastingplichtigen om opening van een mutual agreement procedure onder belastingverdragen. Conclusie: cassatieberoep niet-ontvankelijk voor zover ziende op de afwijzingen van de Svb om met Luxemburg een uitzonderingsprocedure te beginnen en voor het overige ongegrond, onder verwijzing naar HR BNB 2020/142 en/of art. 81 Wet RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1151
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1235
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1236
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1237
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1238
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1242
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1244
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:235
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:237
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:238
- Conclusie 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:239
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:244
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:446
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:511
- CRvB 16 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:313
- CRvB 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3821
- Rb. Rotterdam 20 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1196
- CRvB 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634