Rb. Gelderland 10 februari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:639
Massaal bezwaar box 3 (jaren 2017 en 2018). De rechtbank acht de keuzes van de wetgever die aan het nieuwe stelsel ten grondslag liggen niet van iedere redelijke grond ontbloot. Dat geldt voor de keuze om uit te gaan van de gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen (de vermogensmix), van de rendementen die door belastingbetalers in voorafgaande jaren gemiddeld zijn behaald op die vermogensonderdelen voor een periode van 15 jaar. Andere keuzes waren denkbaar, maar dat maakt niet dat de gemaakte keuzes in strijd zijn met het vereiste van een fair balance. Dat gebruik wordt gemaakt van 16 ficties, zoals eiser stelt, maakt het stelsel nog niet onrechtmatig. Dat volgt volgens de rechtbank niet als zodanig uit het leegwaarderatio-arrest. Eiser betoogt dat van hem, mede vanwege zijn leeftijd, niet worden verwacht dat hij zijn vermogen risicovol belegt op de manier waarop de gemiddelde belastingplichtige dat doet. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij voor zover dat ziet op de individuele situatie van eiser, omdat in deze procedure alleen op "regelniveau" wordt getoetst. Dit neemt niet weg dat de door eiser genoemde omstandigheden ook op regelniveau kunnen worden getoetst, namelijk als aannemelijk is dat eiser lid is van een bepaalbare groep belastingplichtigen (een zogenoemde robuuste groep) die op basis van objectieve kenmerken niet in staat kan worden geacht om te kiezen voor de vermogensmix waarop het stelsel is gebaseerd, dan kan ten aanzien van die groep sprake zijn van strijd met de vereiste fair balance. De wetgever heeft in dat geval ten onrechte deze rechtens te onderscheiden groep niet als zodanig erkend en vervolgens deze groep ten onrechte op gelijke wijze behandeld als de gemiddelde belastingplichtige. Deze toets in het kader van artikel 1 EP is gelijk aan het discriminatieverbod van – bijvoorbeeld – artikel 14 EVRM. Eiser heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser zich juridisch en feitelijk niet in dezelfde situatie bevindt als de werknemers van buiten Nederland die een beroep kunnen doen op artikel 2.6 van de Wet IB 2001, zodat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl