Rb. Den Haag 27 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10265
Op 4 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Financiën een collectieve uitspraak gedaan op alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften over de vermogensrendementsheffing (box 3) voor de jaren 2017 tot en met 2020 (de collectieve uitspraak).[1] De collectieve uitspraak heeft betrekking op ongeveer 60.000 belastingplichtigen die samen 210.000 bezwaren hebben gemaakt.[2] Zij hebben vervolgens vóór 4 augustus 2022 (zes maanden na de collectieve uitspraak) de cijfermatige uitwerking ontvangen van het geboden rechtsherstel naar aanleiding van het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad. De Belastingdienst heeft daarvoor een nieuwe berekening gemaakt van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Bij fiscaal partners is die nieuwe berekening gebaseerd op de verdeling van de grondslag sparen en beleggen die zij hadden gekozen vóór de collectieve uitspraak. De rechtbank constateert dat een deel van deze belastingplichtigen is opgekomen tegen dit na de collectieve uitspraak geboden rechtsherstel en daarbij verzoekt om wijziging van de verdeling van de grondslag sparen en beleggen. Deze belastingplichtigen voeren aan dat pas op het moment dat zij de cijfermatige uitwerking van het rechtsherstel ontvingen voor hen duidelijk werd welke verdeling van de grondslag tussen de fiscaal partners het meest voordelig is. Op dat moment was een wijziging van de verdeling volgens de tekst van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 (in veel gevallen) echter niet meer mogelijk. De rechtbank constateert dat gerede twijfel kan bestaan of een belastingplichtige en de fiscaal partner in die situatie toch recht hebben op wijziging van de eerder tot stand gekomen verdeling van de grondslag sparen en beleggen. In het belang van duidelijkheid in een vroeg stadium, mede gelet op het grote aantal box 3-procedures naar aanleiding van het geboden rechtsherstel waarin dit (mogelijk) speelt, heeft de rechtbank aanleiding gezien om hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Prejudiciële vragen 1) Bestaat recht op wijziging van de tot stand gekomen onderlinge verhouding, als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001, als een aanslag IB/PVV onherroepelijk komt vast te staan door een collectieve uitspraak, als bedoeld in artikel 25e van de AWR, en de aanslag IB/PVV van de fiscaal partner door deze collectieve uitspraak eveneens onherroepelijk wordt, dan wel reeds onherroepelijk was, indien op dat moment de rechtsgevolgen van de collectieve uitspraak voor de aanslag (of aanslagen) nog niet kenbaar zijn? 2) Zo ja, tot wanneer kan een gezamenlijk verzoek tot wijziging van de tot stand gekomen onderlinge verhouding door een belastingplichtige en zijn partner worden gedaan?
De uitspraak op rechtspraak.nl