Conclusie A-G Ettema 28 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:462

Is sprake van privégebruik van de auto van de zaak voor de omzetbelasting bij woon-werkverkeer bij (veel) thuiswerken? Valt dit geschilpunt onder de voor massaal bezwaar aangewezen rechtsvragen? Kan een feitelijke beoordeling naar aanleiding van de rechterlijke uitspraak in de massaalbezwaarprocedure deel uitmaken van de collectieve uitspraak op bezwaar? Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Een onderdeel van die eenheid exploiteert een advies- en accountantskantoor. Dat onderdeel stelt auto’s tegen vergoeding ter beschikking aan bepaalde werknemers. De werknemers gebruiken de auto’s voor (onder meer) woon-werkverkeer. Ter zake van deze terbeschikkingstelling heeft belanghebbende omzetbelasting op aangifte voldaan wegens het privégebruik van de auto’s. Op grond van een buitenwettelijke regeling heeft zij een forfait van 2,7% van de catalogusprijs gehanteerd. Tegen de voldane bedragen aan omzetbelasting maakt zij bezwaar. De Hoge Raad heeft in de arresten van 21 april 2017 de voor massaal bezwaar aangewezen rechtsvragen beantwoord over het privégebruik van de auto voor de omzetbelasting. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur een collectieve uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft vervolgens belanghebbende in de gelegenheid gesteld feitelijke gegevens over te leggen over de omvang van het privégebruik van de auto van de zaak. De Rechtbank oordeelt dat de Inspecteur bij individuele uitspraak op bezwaar had moeten beslissen over de omvang van het privégebruik van de auto van de zaak. Het beroep van belanghebbende acht zij daarom ontvankelijk. Over het materiële geschil oordeelt de Rechtbank dat er in de situatie van belanghebbende geen enkele grond is af te wijken van de hoofdregel, dat woon-werkverkeer privédoeleinden dient. De Rechtbank is verder van oordeel dat belanghebbende ten onrechte de zogenoemde constante leasekosten volledig heeft toegerekend aan het zakelijke gebruik. Het Hof bevestigt het oordeel van de Rechtbank over de ontvankelijkheid van het beroep. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de vraag of het woon-werkverkeer van de werknemers van belanghebbende als privégebruik moet worden aangemerkt, niet is aangewezen voor massaal bezwaar. Verder verwerpt het Hof het standpunt van belanghebbende dat het woon-werkverkeer in haar situatie niet als privégebruik kan worden beschouwd. Ten slotte verwerpt het Hof ook het standpunt van belanghebbende dat alleen de variabele uitgaven aan het privégebruik behoeven te worden toegerekend. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld en de Staatssecretaris incidenteel beroep in cassatie. Het in het incidentele cassatieberoep voorgestelde middel is gericht tegen het oordeel van het Hof over de ontvankelijkheid van het beroep. Middel 1 in het principale cassatieberoep betoogt, onder verwijzing naar het arrest Fillibeck van het Hof van Justitie, dat het woon-werkverkeer van belanghebbendes werknemers als zakelijk gebruik van de auto moet worden aangemerkt. Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat niet alleen de variabele uitgaven, maar ook de vaste uitgaven deel uitmaken van de maatstaf van heffing. Het toerekenen van de directe kosten (variabele kosten) levert een realistische situatie op in bedrijfseconomisch opzicht. Het staat belanghebbende dus vrij om ook voor de btw-correctie voor privégebruik van auto’s uit te gaan van uitsluitend de variabele kosten van het privégebruik. De tekst van art. 72 Btw-richtlijn laat dit toe. A-G Ettema komt tot de conclusie dat het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond moet worden verklaard. Volgens de A-G heeft het Hof terecht geoordeeld dat de vraag of het woon-werkverkeer van de werknemers van belanghebbende als privégebruik moet worden aangemerkt, niet is aangewezen voor massaal bezwaar. Dat brengt echter nog niet mee dat ook het beroep ontvankelijk is voor zover het de omvang van het privégebruik betreft. De A-G bespreekt in dit kader de wetsgeschiedenis van de massaalbezwaarprocedure, het beleid van de Belastingdienst, enige rechtspraak van de feitenrechters en de literatuur. Zij komt tot de slotsom dat de Inspecteur ook daarop had moeten beslissen bij individuele uitspraak op bezwaar. Een nadere feitelijke beoordeling naar aanleiding van de rechterlijke uitspraak in de massaalbezwaarprocedure kan volgens de A-G niet bij collectieve uitspraak op bezwaar geschieden. Die beoordeling valt ook niet onder art. 25e(4) AWR. Ten aanzien van het materiële geschil komt A-G Ettema tot de slotsom dat de middelen 1 en 2 falen en dat het principale cassatieberoep dus ook ongegrond moet worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken