Conclusie A-G Niessen 1 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1019
De zaak is een van de zaken die worden uitgeprocedeerd in een zogenoemde massaal-bezwaarprocedure. In die procedures is de vraag aan de orde of box 3 van de inkomstenbelasting (de vermogensrendementsheffing) in strijd is met art. 1 EP en/of art. 14 EVRM. De belastingplichtige in deze zaak bezat in 2017 een vermogen van ca. € 1 miljoen dat voor ca. 80% was belegd in spaargeld met een lage rente. Hij werd echter niet aangeslagen voor het lage rendement dat volgens de wet bij spaargeld hoort. Hij werd volgens de wet verondersteld voor slechts ca. 21% in spaargeld te beleggen en voor het overige in ander vermogen, dat volgens de wet een veel hoger rendement oplevert. Deze fictieve zogenoemde ‘vermogensmix’ resulteerde in een veel hogere belastbare opbrengst dan de opbrengst die hij werkelijk had genoten. De belanghebbende voerde aan dat de ‘vermogensmix’ leidt tot een heffing die in strijd is met het recht van eigendom (art. 1 Eerste Protocol EVRM) en het gelijkheidsbeginsel (art. 14 EVRM). Nadat de rechtbank Gelderland zijn beroep had afgewezen, stelde hij beroep in cassatie in bij de Belastingkamer van de Hoge Raad. De A-G geeft aan dat van 2001 tot en met 2016 in box 3 belasting werd geheven over een vast rendement van 4%. De wetgever meende dat dat rendement voor iedere vermogensbezitter haalbaar was. Toen dat na enige tijd niet meer het geval was, werd de wet aangepast. Vanaf 2017 wordt voor enerzijds spaargeld en anderzijds het overige vermogen jaarlijks een gemiddeld rendementscijfer vastgesteld op basis van gegevens uit voorafgaande jaren. Het cijfer voor spaargeld is steeds relatief laag en dat voor overige vermogen relatief hoog. Die cijfers zijn voor 2017 respectievelijk 1,63% en 5,39%. Belastingplichtigen worden niet aangeslagen op basis van de werkelijke verdeling van hun vermogen over spaargeld en andere beleggingen. Die verdeling (de ‘vermogensmix’) wordt in de wet gefingeerd. Wie een klein vermogen heeft, wordt verondersteld dit voor 2/3 gedeelte in spaargeld te beleggen en voor 1/3 in overig vermogen; wanneer het vermogen groter is, dus in de ‘tweede schijf’, veronderstelt de wetgever dat het spaardeel nog maar 21% uitmaakt, en in de ‘derde schijf’ (vermogen boven ca. € 1 miljoen) wordt verondersteld 0% spaargeld voor te komen. De A-G vindt dat deze regeling geen rekening houdt met de eigen keuze van de belastingplichtige voor de belegging van zijn vermogen. De heffingsgrondslag heeft daardoor wat dit betreft geen verband met het inkomen van de individuele belastingplichtige. Daarom volgt de heffing niet uit de grondslag van de belastingwet, te weten een heffing naar het door de belastingplichtige genoten inkomen, en heeft zij een confiscatoir karakter. Ook is de vaststelling van de heffingsgrondslag voorzienbaar en onvermijdelijk discriminerend doordat grote ongelijkheid optreedt in de belastingheffing van gelijke gevallen (en gelijke heffing in ongelijke gevallen). Van een fair balance tussen de belangen van staat en burger is geen sprake, aangezien de doelmatigheidsvoordelen die de staat geniet, niet opwegen tegen de ernstige schendingen van verdragsrechten. Daarom is de regeling naar zijn oordeel op stelselniveau in strijd met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel. De A-G is van mening dat de rechter kan en moet voorzien in het hierdoor ontstane rechtstekort. Bepalingen die in strijd zijn met het EVRM, mogen niet worden toegepast (art. 94 Grondwet). Nu de strijdigheid met het EVRM een gevolg is van de vermogensmix, mag deze volgens de A-G niet worden toegepast. Voor het overige kan de regeling wel worden toegepast. Wanneer de vermogensmix niet wordt toegepast, worden zowel het spaargeld als het overige vermogen belast op basis van het in de wet voor beide soorten vermogen afzonderlijk vastgestelde rendement, in 2017 respectievelijk 1,63% en 5,39%. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard. Het geschil dient te worden verwezen naar een andere rechtbank ter verdere behandeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047
- Conclusie A-G Wattel 25 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:293
- Rb. Gelderland 10 februari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:639
- HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1179
- HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816
- HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:817
- Conclusie A-G Ettema 31 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1443
- HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129
- HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:41
- Conclusie A-G Niessen 29 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2029
- HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812