Conclusie A-G IJzerman 25 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:760
A-G IJzerman heeft een nadere conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, alsmede het (voorwaardelijk incidenteel ingestelde) beroep in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2013, nr. 12/00627, ECLI:NL:GHARL:2013:4677. De reden voor deze nadere conclusie is dat het HvJ EU bij arrest van 30 januari 2018 de prejudiciële vragen heeft beantwoord als gesteld door de Hoge Raad bij verwijzingsarrest van 5 juni 2015. Belanghebbende was op grond van een in december 2009 met de gemeente Amersfoort gesloten overeenkomst belast met de aanleg van een glasvezelnetwerk in de Gemeente. Voor de aanleg van dit netwerk heeft belanghebbende, zoals voorgeschreven in de Telecommunicatiewet, instemming van het College verzocht omtrent tijdstip, plaats en werkwijze voor de uitvoering van de benodigde onder- en bovengrondse werkzaamheden. In verband met de aan belanghebbende verleende instemmingsbesluiten zijn door de heffingsambtenaar van de Gemeente aan belanghebbende op grond van de Verordening leges 2010 van de Gemeente en bijbehorende Tarieventabel, diverse legesnota’s uitgereikt. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Gemeente overeenkomstig haar Legesverordening opgelegde legesnota’s in overeenstemming moeten zijn met artikel 13, tweede lid, van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn), en/of met artikel 12 van Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (de Machtigingsrichtlijn). De toepasselijkheid van die richtlijnen zou volgens belanghebbende met zich meebrengen dat de Gemeente aan aanvragers van instemmingsbesluiten geen hoger bedrag in rekening mag brengen (door middel van legesnota’s) dan overeenkomt met de door de Gemeente gemaakte kosten ter zake van de instemmingsbesluiten. Het HvJ EU heeft bij arrest van 30 januari 2018 de door de Hoge Raad gestelde vragen beantwoord. Het HvJ EU is van oordeel dat de rechten (leges) verschuldigd worden in verband met het recht van de ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken mogen aanleggen, faciliteiten te installeren in de zin van artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn. Volgens het HvJ EU staat het feit dat de gemeente Amersfoort geen nationale regelgevende instantie vormt in de zin van artikel 2, onder g, van de kaderrichtlijn er niet aan in de weg dat de rechten waarvan de betaling van belanghebbende is gevorderd moeten worden getoetst aan artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn. Het komt de A-G voor dat na het arrest van het HvJ EU van 30 januari 2018 thans voor de Hoge Raad met name de volgende vragen ter beantwoording, althans ter behandeling, open staan. Ten eerste de vraag of de onderhavige legesheffing op grond van artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn dient te worden getoetst aan artikel 8 van de Kaderrichtlijn. En zo ja, wat de aan te leggen toetsingscriteria precies inhouden. Ten tweede ligt voor of, en zo ja hoe, bij die toetsing rekening dient te worden gehouden met artikel 229b van de Gemeentewet en/of de volgens belanghebbende aanwezige kruissubsidiëring. Het gaat volgens de A-G thans om de (nadere) beoordeling van een aantal vragen met resterende feitelijke vraagpunten, zodat de Hoge Raad, naar de A-G meent, zal moeten komen tot verwijzing naar een ander gerechtshof. Omtrent de inhoud van de door de Hoge Raad te formuleren verwijzingsopdracht merkt de A-G het volgende op. Door het verwijzingshof dient volgens de A-G, als geplaatst in het kader van artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn, (ten minste) te worden beoordeeld of de onderhavige legesheffing: i) ten doel heeft een optimaal gebruik van de door artikel 13 bedoelde middelen te waarborgen, ii) objectief gerechtvaardigd is, iii) transparant is, iv) niet discriminerend is, v) in verhouding staat tot het beoogde doel en vi) voldoende rekening houdt met artikel 8 van de Kaderrichtlijn. De conclusie strekt ertoe dat de over en weer ingestelde beroepen in cassatie, beide gegrond zullen worden verklaard, met verwijzing naar een ander gerechtshof voor nader onderzoek naar en beoordeling van de genoemde vragen en omstandigheden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 5 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1467
- HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:282
- Conclusie A-G IJzerman 20 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2238
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4677
- Rb. Utrecht 12 september 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6935
- HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943
- HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968
- HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC3691
- HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1951
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:446
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:397
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:44