Art. 3, Nationale regelgevende instanties
1. De lidstaten zorgen ervoor dat alle taken die bij deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen aan de nationale regelgevende instanties worden opgedragen, door een bevoegd lichaam worden uitgevoerd.
2. De lidstaten waarborgen de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties door ervoor te zorgen dat zij juridisch gezien onderscheiden zijn van en functioneel onafhankelijk zijn van alle organisaties die elektronische-communicatienetwerken, -apparatuur of -diensten aanbieden. Lidstaten die de eigendom van of de zeggenschap over elektronische-communicatienetwerken en/of -diensten aanbiedende ondernemingen behouden, zorgen voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties hun bevoegdheden onpartijdig en op transparante wijze uitoefenen.
4. De lidstaten maken de door de nationale regelgevende instanties uit te voeren taken op een gemakkelijk toegankelijke wijze bekend, met name wanneer die taken aan meer dan één lichaam worden toegewezen. De lidstaten zorgen in voorkomend geval voor overleg en samenwerking tussen die instanties onderling en tussen die instanties en de nationale instanties belast met de uitvoering van het mededingingsrecht en de nationale instanties belast met de uitvoering van het consumentenrecht, in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang. Indien meer dan één instantie bevoegd is om die aangelegenheden te behandelen, zorgen de lidstaten ervoor dat de respectieve taken van elke instantie in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt worden.
5. De nationale regelgevende instanties en de nationale mededingingsautoriteiten leveren elkaar de informatie die nodig is voor de toepassing van de onderhavige richtlijn en de bijzondere richtlijnen. Ten aanzien van de uitgewisselde informatie is de ontvangende instantie gehouden hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid in acht te nemen als de informatieverstrekkende instantie.
6. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle nationale regelgevende instanties waaraan krachtens deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen taken zijn opgedragen, en van hun onderscheiden verantwoordelijkheden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1360
- ABRvS 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2282
- ABRvS 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1344
- ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1171
- ABRvS 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3201
- ABRvS 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3328
- ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:665
- ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:483
- Conclusie A-G Ettema en Koopman 5 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:959
- ABRvS 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:500
- ABRvS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1370
- ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:192
- ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4145
- ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4130
- Rb. Rotterdam 2 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:7917
- Rb. Oost-Brabant 27 juli 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4031
- ABRvS 23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1341
- ABRvS 13 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0978
- Rb. Rotterdam 12 september 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:7450
- Rb. Oost-Brabant 5 oktober 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4892