Conclusie A-G Niessen 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:159

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/00698, alsmede in de samenhangende zaak met nummer 17/00697. In cassatie is in geschil of de waarborgen van artikelen 6 en 7 EVRM en artikel 1 EP EVRM moeten worden toegepast met het oog de belastingheffing ter zake van de afkoop van zijn lijfrente en de in verband daarmee geheven revisierente in de zin van artikel 30i AWR. Belanghebbende heeft ter zake van de staking van zijn vennootschap onder firma in 1998 en de inbreng van zijn aandeel daarin in een BV een lijfrente bedongen. De aandelen in de BV zijn tot 1 maart 2010 gehouden door de Beheer BV. De aandelen in Beheer BV zijn voor 50 percent in handen van de persoonlijke houdstervennootschap van belanghebbende. Beheer BV heeft de aandelen in de BV per 1 maart 2010 verkocht aan derden. Bij de verkoop is overeengekomen dat de lijfrenteverplichting van de BV jegens belanghebbende en zijn firmant wordt overgedragen en betaald aan Beheer BV. Op 22 juni 2010 wordt de lijfrenteverplichting bijgeschreven bij de persoonlijke houdstermaatschappij van belanghebbende. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de lijfrente terecht als negatieve uitgaven voor inkomensvoorziening in aanmerking heeft genomen en terecht revisierente en heffingsrente in rekening heeft gebracht.. In de conclusie gaat de A-G in op de vraag of het heffen van revisierente een ‘criminal charge’ is in de zin van artikel 6 EVRM. De A-G is van mening dat, gelet op de parlementaire geschiedenis, van de heffing van revisierente een prohibitieve werking uitgaat. Het door de wetgever nagestreefde doel om door de heffing van revisierente een belastingplichtige die in strijd met de voorwaarden voor premie-aftrek heeft gehandeld, hetzelfde te behandelen als een belastingplichtige die van zijn netto-inkomen heeft gespaard, heeft geen leedtoevoeging op het oog. Wel lijkt in deze uitleg niet, althans in mindere mate, de compensatie van de door de Staat geleden schade op de voorgrond te staan. Alles tegen elkaar afwegend komt de A-G tot de slotsom dat de revisierente weliswaar punitieve aspecten kent maar het reparatoire karakter voorop staat. De A-G is van mening ten aanzien van belanghebbendes middel dat het Hof de volledige saldomethode op grond van het besluit van 10 mei 2010 met nr. DGB2010/3119M berust op een verkeerde lezing van het besluit. Alleen voor niet (geheel) afgetrokken premies en inleg tot en met 2008 kon op de voet van het besluit de volledige saldomethode toegepast worden. In onderhavige zaak gaat het om een lijfrente-uitkering in 2010 en is de volledige saldomethode dus niet van toepassing. Met de Staatssecretaris meent de A-G dat nu de lijfrente-uitkering door de persoonlijke houdstermaatschappij heeft plaatsgevonden nadat de lijfrenteverplichting was overgegaan op een niet toegelaten verzekeraar, namelijk de persoonlijke houdstermaatschappij, de uitkeringen niet meer in box 1 in aanmerkingen dienen te worden genomen. Dit leidt ertoe dat belanghebbendes middel slaagt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken