Conclusie A-G Harteveld 7 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1402
T.b.v. hennepkwekerij in woning medeplegen van opzettelijk een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is, art. 161bis sub 2 en 3 Sr. 1. Is een meterkast een “elektriciteitswerk”? 2. “Te duchten levensgevaar” toereikend gemotiveerd? 3. Medeplegen toereikend gemotiveerd? Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat de meterkast voor de stroomvoorziening in de woning kan worden aangemerkt als een "elektriciteitswerk" a.b.i. art. 161bis en 90ter Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Om in rechte het in art. 161bis Sr bedoelde levensgevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige b.m. volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar t.t.v. het verijdelen van de veiligheidsmaatregel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich doorgaans geen personen in de nabijheid van het betreffende elektriciteitswerk bevinden. Nu uit de gebezigde b.m. kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededader de stroomvoorziening t.b.v. een hennepkwekerij hadden aangelegd op een wijze die niet voldeed aan de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen en aldus de t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen hadden verijdeld, terwijl dit geschiedde in een appartementencomplex waarin personen huizen en ook aanwezig waren, en daadwerkelijk brand is ontstaan op de zolderruimte van het perceel, kunnen de b.m. ‘s Hofs oordeel dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. de motiveringsplicht voor de rechter indien medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Hof heeft o.m. vastgesteld dat de in verdachtes woning aangetroffen hennepkwekerij van hem was, dat hij een kennis, die geen elektricien was, heeft gevraagd om daarvoor de elektrische installatie aan te leggen, dat die installatie niet professioneel was en dat verdachte zelf de kabels in de meterkast heeft gezien. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij eerder had gehoord dat in een wietplantage brand was ontstaan en dat een dergelijke brand kan ontstaan door kortsluiting of oververhitting. In dat verband heeft Hof nog overwogen dat een feit van algemene bekendheid is dat het aftappen van elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om meebrengt dat de veiligheidsmaatregelen die in de meterkast aanwezig zijn worden omzeild en dat daardoor brand kan ontstaan. Mede in aanmerking genomen dat verdachte heeft verklaard dat hij verder niet heeft gecontroleerd of de in zijn opdracht aangelegde elektrische installatie veilig was aangelegd, geeft ’s Hofs oordeel dat de bijdrage van verdachte aan het bewezenverklaarde feit van voldoende gewicht is om zijn gedragingen als medeplegen van dit delict aan te merken, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. CAG: anders t.a.v. medeplegen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:426
- HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60
- Conclusie A-G Hofstee 24 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:139
- HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2752
- Conclusie A-G Harteveld 25 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1943
- HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474
- HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170
- HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230
- Conclusie A-G Knigge 22 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BN9287
- HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8840
- HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0594
- HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653