HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230
Art. 46 Sr. Art. 157 Sr. Bewijs opzet. Het middel berust op de opvatting dat het opzet van verdachte niet alleen moet zijn gericht op brandstichting, teweegbrengen van een ontploffing of veroorzaken van een overstroming, maar tevens op het bestanddeel van art. 157 Sr dat in de tll. en bewezenverklaring is omschreven als: "terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is". Die laatste opvatting is in haar algemeenheid onjuist omdat bedoeld gevaar t.t.v. het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest, zodat niet van belang is dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien (vgl. HR LJN BG1653). I.c. gaat het om de strafbare voorbereiding van dit delict. Blijkens art. 46 Sr is daarvoor vereist het "opzettelijk" handelen van verdachte m.b.t. o.m. voorwerpen en/of stoffen "bestemd tot het begaan van dat misdrijf'. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat in een dergelijk geval het opzet van de voorbereider moet zijn gericht op brandstichting, teweegbrengen van een ontploffing of veroorzaken van een overstroming, alsmede dat zijn opzet tevens moet zijn gericht op het in art. 157 Sr omschreven gevaar, in die zin dat dit opzet betrekking moet hebben op het naar algemene ervaringsregels voorzienbare gevaar van bedoelde voorwerpen en/of stoffen voor de door art. 157 Sr beschermde rechtsgoederen. Het kennelijk oordeel van het Hof dat hiervan i.c. sprake is geweest, is mede gelet op hetgeen het Hof in de bewijsvoering heeft vastgesteld omtrent de aard van bedoelde voorwerpen en/of stoffen en de omstandigheden waaronder verdachte deze voorhanden heeft gehad, niet onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl