HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653

Art. 157 Sr. In art. 157 Sr is straf bedreigd tegen o.a. degene die opzettelijk brand sticht indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is. Van zulk levensgevaar is niet reeds sprake indien de brand is gesticht in een woning (of een andere behuizing die tot menselijke bewoning dient). Om in een dergelijk geval in rechte het levensgevaar voor in het bijzonder de bewoner(s) als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar t.t.v. de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband dus niet van belang. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien de bewoner(s) zich t.t.v. de brandstichting niet in de woning bevond(en). Mede gelet hierop kan de bewezenverklaring, vzv. behelzende dat van de brandstichting levensgevaar te duchten was voor "de in de X-weg 14 woonachtige personen", niet zonder meer worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, die immers niet inhouden dat die personen toen daar aanwezig waren. De bewezenverklaring is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen