Conclusie A-G IJzerman 28 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:785
In geschil is of belanghebbende is aan te merken als een algemeen nut beogende instelling, een anbi. In dit stadium van de procedure gaat het met name om de vraag of door de activiteiten van belanghebbende het algemeen belang minstens in gelijke mate als particuliere belangen wordt gediend. De activiteiten welke belanghebbende tegen betaling organiseert voor haar leden bestaan met name uit zogenoemde auditing en trainingen. Het is de vraag of de daarvoor gehanteerde tarieven zodanig zijn vastgesteld dat die een commercieel karakter hebben. Dat zou namelijk betekenen dat die activiteiten primair particuliere belangen dienen, ook al vormen die activiteiten een onderdeel van de religieuze beleving. In hoger beroep is door Hof Amsterdam geoordeeld dat belanghebbende uitsluitend kerkelijke activiteiten verricht en dat zij daarom een algemeen nut beogende instelling is. Tegen die uitspraak heeft de Staatssecretaris van Financiën het eerste beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 12 december 2014, het verwijzingsarrest, heeft de Hoge Raad de uitspraak van Hof Amsterdam vernietigd, met name omdat Hof Amsterdam zich over het (al dan niet) commerciële karakter van de door belanghebbende gehanteerde tarieven niet had uitgelaten; met verwijzing naar Hof Den Haag. In de procedure na verwijzing heeft het Hof ten eerste vastgesteld dat de door belanghebbende voor haar leden georganiseerde auditing en trainingen, in 2008 en 2009, tezamen meer dan 50 percent uitmaakten van de activiteiten van belanghebbende. Ten tweede heeft het Hof geoordeeld dat de voor auditing en trainingen door belanghebbende gehanteerde tarieven, zijn aan te merken als commerciële tarieven. Dit vormt een beletsel om auditing en trainingen aan te merken als activiteiten waarmee het algemeen belang wordt gediend. Op basis van een en ander is het Hof gekomen tot het oordeel dat belanghebbende niet geslaagd is te doen blijken dat het algemeen belang minstens in gelijke mate als een particulier belang gediend wordt. Aldus is het Hof tot de conclusie gekomen dat de Inspecteur belanghebbende op goede gronden niet als anbi heeft aangemerkt. In deze tweede cassatieprocedure komt belanghebbende op tegen de uitspraak van het Hof, na verwijzing, onder aanvoering van twee middelen. Deze behelzen met name dat de voornoemde oordelen van het Hof thans worden voorgelegd aan de Hoge Raad. In het verweerschrift in cassatie heeft de Staatssecretaris gesteld dat het Hof buiten de verwijzingsopdracht is getreden met zijn oordeel dat geen sprake is van donaties, maar van verplichte bijdragen en dat daartegenover een directe tegenprestatie staat in de vorm van de leergang auditing en training. De A-G merkt op dat in het verwijzingsarrest sprake is van de tariefstelling voor de door belanghebbende verrichte diensten. Daarmee is volgens de A-G vast komen te staan dat de door belanghebbende verzorgde auditing en trainingen zijn aan te merken als diensten (in de zin van quid pro quo), dus niet als donaties. Het komt de A-G voor dat het Hof hier, na verwijzing, is gebleven binnen dat vaststaande oordeel in het verwijzingsarrest. Waar belanghebbende thans alsnog opkomt tegen het vaststaande oordeel dat hier sprake is van dienstverlening op basis van quid pro quo, kunnen dergelijke klachten niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft geoordeeld dat de prijzen van de door belanghebbende aangeboden auditing en trainingen van commerciële aard zijn. Daaraan heeft het de gevolgtrekking verbonden dat niet kan worden aangenomen dat het algemeen belang met de auditing en training activiteiten van belanghebbende ten minste in gelijke mate wordt gediend als het particuliere belang. Nu auditing en trainingen tezamen meer dan 50 percent uitmaken van de activiteiten van belanghebbende, zijn volgens het Hof haar feitelijke werkzaamheden in overheersende mate van commerciële aard. De A-G begrijpt dat het Hof als maatstaf ter bepaling van wat heeft te gelden als commerciële tarieven, heeft gehanteerd: de marktprijs c.q. vergelijkbare marktprijzen. Die maatstaf is volgens de A-G juist te achten in het licht van het verwijzingsarrest. Bovendien meent de A-G dat hetgeen belanghebbende kennelijk voor ogen staat als maatstaf, namelijk of het tarief hoger is dan de kostprijs teneinde een voordeel te behalen, juist aansluit bij ’s Hofs oordeel dat belanghebbende bewust streeft naar het behalen van overschotten ter aanwending voor instandhouding van haarzelf, en exploitatieoverschotten heeft behaald. Het eerste middel faalt. In het tweede middel wordt erover geklaagd dat het Hof, dus na verwijzing, ten onrechte uitgaat van de opvatting dat aan een instelling die uitsluitend werkzaamheden verricht van kerkelijke aard niet de status van algemeen nut beogende instelling toekomt. Deze klacht lijkt de A-G te berusten op een onjuiste lezing van de Hofuitspraak na verwijzing, c.q. miskenning van hetgeen als rechtens vaststaand is geoordeeld in het verwijzingsarrest. Hierin is namelijk al onjuist bevonden de stelling dat instellingen die uitsluitend activiteiten verrichten van kerkelijke of levensbeschouwelijke aard reeds als zodanig in aanmerking komen voor de status van anbi. De overige klachten, waaronder een beroep op het volkenrechtelijke gelijkheidsbeginsel en het recht op vrijheid van godsdienst, kunnen volgens de A-G evenmin tot cassatie leiden, zodat ook het tweede middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G IJzerman 26 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:444
- Conclusie A-G IJzerman 26 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:461
- HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:335
- Conclusie A-G IJzerman 28 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2256
- Hof Den Haag 21 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2875
- HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3565
- Hof Amsterdam 17 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3338
- Conclusie A-G Niessen 14 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:788
- Rb. Haarlem 23 juli 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:2281
- HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9055
- Conclusie A-G IJZERMAN 11 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ0540
- HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105
- HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT8202
- HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7741
- HR 9 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2805
- HR 13 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5717