Conclusie A-G Niessen 14 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:788
Advocaat-generaal Niessen heeft heden conclusie genomen in de zaak met nummer 12/05390, betreffende de vraag of het gerechtshof zijn taak als verwijzingsrechter te ruim heeft opgevat. Op 31 mei 2000 heeft belanghebbende een tot zijn ondernemingsvermogen behorend perceel grond, dat tot dan toe werd gebruikt voor de uitoefening van de door hem gedreven veehouderij, verkocht aan een derde, waarbij hij een persoonlijk recht van gebruik voor de duur van 73 maanden heeft bedongen. Met betrekking tot de bij deze verkoop behaalde boekwinst (bestemmingswijzigingswinst) is op grond van een met de Inspecteur gesloten compromis (voorwaardelijk) de landbouwvrijstelling toegepast (artikel 8, lid 1 , aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964). De Inspecteur heeft de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, omdat het perceel na 31 december 2002 zou worden aangewend buiten het kader van het landbouwbedrijf. De Hoge Raad (nr. 10/02270) heeft in zijn arrest van 10 juni 2011 het geding verwezen "voor beoordeling van de vraag of het perceel vanaf 1 januari 2003 geheel of nagenoeg geheel werd aangewend in het kader van het landbouwbedrijf." Het gerechtshof heeft na verwijzing geoordeeld dat dit het geval is. Het Hof heeft hierbij de bestemming van het op het perceel geteelde ruwvoer mede van belang geoordeeld en dienaangaande nader bewijs toegelaten. Het middel van de Staatssecretaris klaagt erover dat dit bewijs ten onrechte is toegelaten. Belanghebbende klaagt er in zijn incidentele beroep in cassatie over dat het Hof de bestemming van het ruwvoer ten onrechte van belang heeft geoordeeld. A-G Niessen geeft een uitgebreid overzicht van rechtspraak en literatuur betreffende de vraag wanneer na verwijzing nieuwe feiten toelaatbaar (kunnen) zijn en of de bestemming van de op het perceel geteelde gewassen voor de landbouwvrijstelling van belang is. De A-G merkt op dat het aan de verwijzingsrechter is om vast te stellen wat na cassatie de omvang van de rechtsstrijd (nog) is en welke feitelijke stellingen toelaatbaar (kunnen) zijn. Het na verwijzing innemen van nieuwe feitelijke stellingen is niet toegelaten, indien het eerder innemen van die stelling "bepaald voor de hand lag" (HR NJ 1982/65). Indien het verwijzingsarrest een nieuwe ontwikkeling heeft ingeluid, kan een nieuwe feitelijke stellingname toelaatbaar zijn. A-G Niessen vermeld als dergelijke omstandigheden: (1) de Hoge Raad is omgegaan (HR NJ 1990/628), (2) nieuwe wetgeving is van toepassing geworden (HR NJ 1980/489), (3) er is nieuwe rechtspraak van het EHRM of het Hof van Justitie EG/EU (HR NJ 1990/628). In een aantal andere gevallen kan, volgens de A-G, ook rekening worden gehouden met na de vernietigde uitspraak gewijzigde feitelijke verhoudingen (HR NJ 2013/5). Met name is dit het geval in een beperkt aantal civielrechtelijke procedures, zoals alimentatiezaken, BOPZ-zaken en zaken betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag na echtscheiding. De A-G benadrukt dat in alle gevallen als buitengrens geldt dat het partijen niet is toegestaan hun "standpunt te verschuiven tot buiten de grenzen van de rechtsstrijd, zoals die uit het verwijzingsarrest voortvloeien" (HR BNB 2005/25). De A-G komt tot de slotsom dat het Hof het bewijs ten onrechte heeft toegelaten, omdat de bestemming van het ruwvoer, sinds het arrest van de Hoge Raad, reeds onherroepelijk vaststond, maar ook dat de bestemming van het ruwvoer niet van belang is. Volgens de A-G doet dit echter niet af aan 's Hofs in cassatie bestreden oordeel, zodat de middelen desondanks niet tot cassatie kunnen leiden. De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van de beroepen in cassatie.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 134 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 419 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 422 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 422a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 423 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 81 RO
- Artikel 18 HW
- Artikel 29e AWR
- Artikel 7:23 BW7
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 3.12 Wet IB 2001
- Artikel 5 EVRM