Conclusie A-G IJzerman 26 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:444

Belanghebbende is opgericht op 3 oktober 1983. Ingevolge haar statuten heeft belanghebbende ten doel het uitgeven van een nieuwsblad en het bevorderen van andere publiciteit ten dienste van het verkondigen van de blijde boodschap van Jezus Christus, zoals deze door de Katholieke Kerk wordt overgeleverd. Belanghebbende tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het vervaardigen, doen vervaardigen, uitgeven, verkopen en anderszins verspreiden van boeken, tijdschriften, brochures, geluidsdragers en audiovisuele geluidsdragers overeenkomstig haar doelstelling. Belanghebbende geeft een weekblad uit met de naam [J] ([J]). [J] kan tegen betaling worden verkregen door (proef)abonnementhouders en is gratis verkrijgbaar voor missionarissen en kloosterlingen. Tevens worden gratis exemplaren ter beschikking gesteld aan kerkparochies. Daarnaast zijn gedeelten van [J] gratis terug te vinden op de website van belanghebbende. De abonnementsprijs bedroeg in 2013 op jaarbasis € 118,50 en in 2014 € 120,95. Per 31 december 2011 bedroeg het aantal abonnementen 8.959 en per 31 december 2012, 8.314. De abonnementsprijs is niet kostendekkend. Belanghebbende heeft sinds haar oprichting ieder jaar verlies geleden met de door haar ontplooide activiteiten. Voor de financiering van haar activiteiten wordt belanghebbende ondersteund door [X2] Stichting (de Stichting). Deze heeft ten doel de verbreiding en verdediging van de officiële Rooms-Katholieke geloofs- en zedenleer. De Stichting tracht dit doel onder meer te verwezenlijken door het steunen van respectievelijk deelnemen in daartoe geëigende publiciteitsorganen. Sinds de oprichting van belanghebbende heeft de Stichting een groot deel van haar geldmiddelen, die zij verkrijgt uit fondsen, subsidies, schenkingen, erfstellingen en andere verkrijgingen, besteed ten behoeve van belanghebbende. Bij beschikking van 26 maart 2013 heeft de Inspecteur de Stichting vanaf 1 maart 2013 niet meer aangemerkt als een anbi. Dit omdat de Stichting voor meer dan 90 percent financiële ondersteuning geeft aan een niet als een anbi aangemerkt lichaam, zijnde belanghebbende. Belanghebbende heeft op 28 februari 2013 verzocht aangemerkt te worden als anbi, welk verzoek bij beschikking van 15 juli 2013 is afgewezen. De Rechtbank Gelderland heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en heeft haar aangemerkt als anbi. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de door belanghebbende voor [J] gehanteerde abonnementsprijs, gelet op de omvang en de verschijningsfrequentie, objectief beschouwd als een min of meer commercieel tarief kan worden aangemerkt. Daarbij heeft het Hof aannemelijk geacht dat de abonnees deze prijs als een in het economische verkeer min of meer normale, gebruikelijke prijs voor het blad ervaren. Aldus worden volgens het Hof de consumptieve particuliere belangen van de abonnees gediend. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbendes kernactiviteit het uitgeven van een weekblad tegen een min of meer commercieel tarief is. Verder is het Hof van oordeel dat ook indien de doelstelling van belanghebbende ruimer moet worden opgevat, onverminderd heeft te gelden dat met de uitgave van het weekblad [J] tegen min of meer commerciële abonnementsprijzen de particuliere consumptie van de abonnees wordt gediend en niet primair de verspreiding van de blijde boodschap. Ten slotte heeft het Hof belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. Ofschoon het Hof dat niet expliciet heeft overwogen, komt het de A-G voor dat belanghebbende, gelet op haar statuten en feitelijke werkzaamheden, in principe een algemeen belang kan beogen. Vervolgens moet naar zijn mening, anders dan het Hof lijkt te doen, aan het begrip commerciële tarieven een uitleg worden gegeven die overeenkomt met de definitie die is neergelegd in de toelichting op de UR AWR, namelijk tarieven die de integrale kostprijs van de verrichte diensten of de geleverde goederen te boven gaan teneinde een voordeel te behalen. Daarmee acht de A-G onjuist de door het Hof gehanteerde maatstaf dat de door belanghebbende voor [J] gehanteerde abonnementsprijs, gelet op de omvang en de verschijningsfrequentie, objectief beschouwd als een min of meer commercieel tarief kan worden aangemerkt, waarbij aannemelijk is dat de abonnees deze prijs als een in het economische verkeer gebruikelijke prijs ervaren. Aldus slaagt het eerste middel. Het tweede middel komt op tegen ‘s Hofs oordeel dat belanghebbende zich met het uitgeven van [J] en andere gegevensdragers tegen min of meer commerciële tarieven niet rechtstreeks en primair bezighoudt met het verkondigen van de blijde boodschap van Jezus Christus. De A-G meent, anders dan het Hof, niet dat belanghebbendes kernactiviteit is het uitgeven van een weekblad, nog daargelaten de kwestie van het abonnementstarief. Het uitgeven van dat weekblad is naar zijn mening te zien als een activiteit om te komen tot verwezenlijking van de genoemde statutaire doelstelling en niet als een doel op zichzelf of ‘kernactiviteit’. Ook het tweede middel slaagt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken