Art. 8 Opw
1. Een ontheffing van een verbod als bedoeld in de artikelen 2 of 3 kan slechts worden verleend of verlengd indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond:
a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de diergezondheid wordt gediend;
b. deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet, of
c. deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 2 of 3 krachtens een overeenkomst met:
1. een ander aan wie krachtens artikel 6, eerste lid, een ontheffing is verleend;
2. een apotheker of apotheekhoudende arts;
3. een dierenarts;
4. een instelling of persoon, aangewezen krachtens artikel 5, tweede of derde lid;
5. een houder van een in een ander land verleende vergunning of ontheffing om de desbetreffende middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet;
d. deze nodig hebben voor industriële doeleinden teneinde een product te realiseren dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet.
2. Een ontheffing kan voorts worden verleend of verlengd indien de aanvrager deze nodig heeft voor het telen van cannabis krachtens een overeenkomst met Onze Minister.
3. Een ontheffing van een verbod als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, kan slechts worden verleend indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond:
a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de diergezondheid wordt gediend;
b. deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet; of
c. deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, krachtens een overeenkomst met:
1. een ander aan wie krachtens artikel 6, eerste lid, een ontheffing is verleend;
2. een ander die in een ander land is gevestigd en die gerechtigd is de middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet;
d. deze nodig te hebben voor industriële doeleinden teneinde een product te realiseren dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Zeeland-West-Brabant 8 april 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2687
- ABRvS 2 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5057
- Conclusie A-G Bleichrodt 4 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:316
- HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:205
- ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2859
- ABRvS 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4414
- ABRvS 21 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9012
- Rb. Zeeland-West-Brabant 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4828
- Rb. Den Haag 10 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6529
- Rb. Assen 3 mei 2005, ECLI:NL:RBASS:2005:AT5002
- Rb. Amsterdam 27 mei 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BH4545
- Conclusie A-G Keulen 1 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:740
- Conclusie A-G Keulen 1 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:739
- Conclusie A-G Bleichrodt 4 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:319
- Conclusie A-G Bleichrodt 4 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:317
- Conclusie A-G Bleichrodt 9 januari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ2497
- Conclusie A-G Keijzer 6 november 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB3296
- HR 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3296
- Hof 's-Gravenhage 27 juli 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3996
- CRvB 28 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3773