HR 31 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2114

Aanwezig hebben van (meer dan 30 gram) hennep (meermalen gepleegd), art. 3.C Opiumwet. 1. Beroep op art. 11.4 Ow, inhoudende dat art. 11.2 Ow niet van toepassing is indien het gaat om niet meer dan 30 gram hennep. 2. Valt gehele hennepplant onder hennep a.b.i. Ow? Ad 1. Uitgangspunt dat art. 11.4 Ow strafuitsluitingsgrond inhoudt, berust op onjuiste opvatting. Deze bepaling is slechts van belang voor beantwoording van vraag of in art. 11.2 Ow bedoelde handelingen misdrijf dan wel overtreding opleveren. V.zv. deze handelingen betrekking hebben op hoeveelheid hennep van niet meer dan 30 gram zijn zij, ook ingeval van opzet, niet ex art. 11.2 Ow als misdrijf strafbaar maar worden zij bestreken door art. 11.1 Ow. Ad 2. Betoog dat onder hennep a.b.i. in bij Ow behorende lijst II niet begrepen kan worden gehele hennepplant maar slechts geoogste delen ervan v.zv. gewicht van 'werkzame bestanddelen' meer bedraagt dan 30 gram, vindt geen steun in het recht. Uit wetsgeschiedenis bij Ow volgt dat wetgever aanwezig hebben, dus ook verbouwen van hennepplanten, heeft verboden, tenzij art. 4 Besluit houdende uitvoering van art. 3a.1 Ow van toepassing is en hennep betreft welke kennelijk bestemd is voor winning van zaad of vezel of uitsluitend als windkering in land- en tuinbouw wordt gebruikt. Dat wetgever gehele hennepplant onder verbod heeft gebracht, ongeacht vraag of plant werkzame bestanddelen bevat, volgt met name ook uit memorie van toelichting. Uit voorgaande volgt dat hof verweer terecht en op goede gronden heeft verworpen. Bewezenverklaarde kan uit gebezigde b.m. worden afgeleid, terwijl het op juiste wijze is gekwalificeerd. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen