Art. 45 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014, Controle op het gehalte aan tetrahydrocannabinol van geteelde hennep

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014

1. Voor de toepassing van artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, zetten de lidstaten het in bijlage I bij de onderhavige verordening beschreven systeem voor de vaststelling van het gehalte aan tetrahydrocannabinol (hierna „THC” genoemd) van de geteelde gewassen op.

2. De bevoegde autoriteit van de lidstaat houdt de dossiers met de bevindingen inzake het THC-gehalte bij. Deze dossiers omvatten voor elk ras ten minste de gegevens inzake het tot op twee decimalen nauwkeurige, in procent uitgedrukte THC-gehalte van elk monster, de gebruikte procedure, het aantal uitgevoerde tests, een vermelding van het punt waar het monster is genomen en de op nationaal niveau getroffen maatregelen.

3. Indien het gemiddelde van alle monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximale THC-gehalte, maken de lidstaten met betrekking tot dat ras in het volgende aanvraagjaar gebruik van de in bijlage I bij de onderhavige verordening opgenomen procedure B. Deze procedure wordt tevens gedurende de daaropvolgende aanvraagjaren gebruikt, tenzij bij alle analyses van het betrokken ras een THC-gehalte wordt geconstateerd dat lager ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximum.

Indien tijdens het tweede jaar het gemiddelde van alle monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximale THC-gehalte, stelt de lidstaat de Commissie in kennis van de machtiging om de handel in dit ras overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad (20) te verbieden. Deze kennisgeving wordt uiterlijk op 15 november van het betrokken aanvraagjaar toegezonden. Met ingang van het daaropvolgende aanvraagjaar komt het ras waarvoor een dergelijk verzoek is ingediend, niet in aanmerking voor rechtstreekse betalingen in de betrokken lidstaat.

4. Hennep wordt gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder geteeld in normale groeiomstandigheden in overeenstemming met de plaatselijke gebruiken, zodat de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde controles kunnen worden verricht.

De lidstaat kan echter toestemming geven om hennep te oogsten na het begin van de bloei maar vóór het einde van de periode van tien dagen na het einde van de bloei, mits de controleurs aangeven op welke representatieve delen van elk betrokken perceel het gewas gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder moet worden geteeld om volgens de in bijlage I vastgestelde methode te kunnen worden gecontroleerd.

5. De in lid 3 bedoelde kennisgevingen worden gedaan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie (21).

Verwijst naar

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen