HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774
Bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd door pan frituurvet, die eerder die avond heeft aangestaan, in richting van medebewoner en 2 behandelaren te gooien (art. 285.1 Sr), mishandeling door vol in ogen en gezicht te spugen (art. 300.1 Sr) en eenvoudige belediging (art. 266.1 Sr). 1. Bewijsklacht mishandeling. Heeft verdachte door van korte afstand vol in gezicht en ogen van slachtoffer (benadeelde partij 1) te spugen bij slachtoffer min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan lichaam teweeggebracht? 2. Vordering benadeelde partij 2 t.a.v. immateriële schade (art. 6:106 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel a.g.v. bedreiging met zware mishandeling. 3. Vordering benadeelde partij 1 t.a.v. immateriële schade (art. 6:106 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel a.g.v. mishandeling en belediging. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:2677 m.b.t. feit dat onder mishandeling a.b.i. art. 300 Sr naast het aan ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn (onder omstandigheden) ook bij ander teweegbrengen van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan lichaam moet worden verstaan. Hof heeft vastgesteld dat verdachte zijn gezicht vlakbij gezicht van slachtoffer heeft gebracht en haar vol in gezicht en ogen heeft gespuugd, wat zij vreselijk vies en walgelijk vond. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte bij slachtoffer opzettelijk een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording teweeg heeft gebracht en dat hij slachtoffer heeft mishandeld, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, nog daargelaten dat uit gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat slachtoffer a.g.v. het spugen door verdachte letsel aan haar ogen heeft opgelopen, te weten infectie en beschadiging van hoornvlies. Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat onder 1 bewezenverklaarde bedreiging met zware mishandeling “dusdanige ernstige inbreuk op (lichamelijke) integriteit van b.p. 2 vormt dat dit in zichzelf als aantasting van persoon op andere wijze dient te worden beschouwd”. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk, nu hof heeft overwogen dat onvoldoende duidelijk is waar in tll. vermelde personen, onder wie b.p. 2, zich bevonden op moment dat met frituurpan werd gegooid. Daarnaast volstaat als onderbouwing van “aantasting in persoon op andere wijze” niet dat b.p. 2 te kennen heeft gegeven dat zij erg geschrokken is door incident en heeft gevreesd voor haar leven, deel van plezier in haar werk heeft verloren en haar werk op andere manier is gaan uitvoeren, gedurende 3 weken onrustig heeft geslapen en nog steeds bang is voor herhaling. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Ad 3. Hof heeft onder 2 en 3 bewezenverklaard dat verdachte b.p. 1 heeft mishandeld en beledigd door haar gezicht op 2 momenten te bespugen. Hof heeft in dit verband vastgesteld dat b.p. 1 zich hierdoor diep beledigd voelde en letsel aan haar ogen heeft opgelopen. Hof heeft hierop zijn oordeel gebaseerd dat b.p. a.g.v. bewezenverklaard handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en dat smartengeldvergoeding van € 250 wegens immateriële schade hof billijk voorkomt en daarom in zoverre toewijsbaar is. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat o.g.v. art. 6:106.b BW voor vergoeding van immateriële schade o.m. plaats is als benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of in zijn eer of goede naam is geschaad. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. vordering b.p. 2 en oplegging schadevergoedingsmaatregel en terugwijzing. CAG anders t.a.v. vordering b.p. 1.
De uitspraak op rechtspraak.nl