HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901

Openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr). Vordering b.p. en schadevergoedingsmaatregel (svm). HR stelt een en ander voorop m.b.t. vraag in welke gevallen middel dat klaagt over toewijzing vordering b.p. maar niet expliciet over oplegging svm voor hetzelfde bedrag als toegewezen vordering, geen behandeling in cassatie rechtvaardigt op de grond dat verdachte niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht (zie ECLI:NL:HR:2015:3362 en ECLI:NL:HR:2018:896). Deze rechtspraak heeft echter geen betrekking op gevallen waarin klacht over toegewezen vordering b.p. ziet op vraag of, dan wel tot welke omvang schade kan worden toegewezen en daarmee ook de grond raakt waarop verschuldigdheid van het in opgelegde schadevergoedingsmaatregel begrepen schadebedrag is aangenomen. I.c. klaagt middel terecht over ’s Hofs niet begrijpelijke oordeel dat b.p. a.g.v. bewezenverklaard handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, i.h.b. wat betreft gederfd inkomen en immateriële schadevergoeding. Dit oordeel heeft gevolgen voor toewijzing van vordering b.p. en voor oplegging van svm en brengt mee dat beide beslissingen niet in stand kunnen blijven. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. strafoplegging en toewijzing vordering b.p.) en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 17/03088 en 17/03089.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken