HR 13 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2553
HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AV4149. Het voorgaande in aanmerking genomen en gelet op de onderscheiden taakstelling, moet worden geoordeeld dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat zowel een inlichtingen- en veiligheidsdienst als het OM of een opsporingsdienst elk voor zich – en daardoor mogelijk parallel – onderzoek doet naar bepaalde personen of groeperingen, indien daartoe vanuit de vervulling van hun taak aanleiding bestaat. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte door het niet horen als getuigen van het plaatsvervangend hoofd van de AIVD en de teamleider van de KLPD niet in zijn verdediging wordt geschaad en de noodzaak tot het horen als getuigen van de Landelijke OvJ’s voor terrorismebestrijding A en B niet is gebleken. Het Hof heeft daarbij de juiste maatstaven aangelegd. Het Hof heeft voorts, niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat de (ook voor justitie) beschikbare informatie voor de AIVD kennelijk aanleiding was de groepering in kwestie te blijven volgen. Het voorgaande in aanmerking genomen en gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van de verzoeken is aangevoerd, heeft het Hof met zijn verwijzing naar de overweging dat niet is gebleken dat het OM de eigen opsporingsbevoegdheden heeft omzeild door de AIVD haar bevoegdheden t.b.v. de strafvordering te laten uitoefenen en de resultaten daarvan via de Landelijk OvJ voor terrorismebestrijding in het strafrechtelijk onderzoek te laten inbrengen, tot uitdrukking gebracht dat onvoldoende aanknopingspunten voorhanden zijn voor een onderzoek naar het door de verdediging veronderstelde misbruik van bevoegdheden dat zou moeten leiden tot n-o van het OM, en dat mitsdien verdachte door het niet horen van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad, respectievelijk de noodzaak van het horen van die getuigen niet is gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl