HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:177

Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. EOB van Duitse autoriteiten op digitale gegevensdragers en navigatiesysteem waarvan klaagster stelt eigenaar te zijn. OM-cassatie. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 2. Klaagschrift ontvankelijk, nu klaagster niet binnen 14 dagen na kennisgeving a.b.i. art. 5.4.10.1 Sv klaagschrift heeft ingediend? 3. Gegrondverklaring beklag. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:1940 m.b.t. toetsingskader beklagrechter bij klaagschrift ex art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv dat is gericht tegen inbeslagname ter uitvoering van EOB en HR:2022:887 m.b.t. voorlopige terbeschikkingstelling bewijsmateriaal (art. 5.4.9 Sv). Als rechter tot slotsom komt dat klaagschrift gegrond is, volstaat beklagrechter met uitspreken van beslissing tot gegrondverklaring beklag. Rechter geeft dan niet ‘daarmee overeenkomende last’ a.b.i. art. 552a.10 Sv, nu in art. 5.4.10.3 Sv niet art. 552a.10 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Daarbij is van belang dat uit art. 5.4.9.1 Sv al volgt dat overdracht van resultaten waarop beklag betrekking heeft pas plaatsvindt nadat onherroepelijk op klaagschrift is beslist en dat overdracht achterwege blijft als onherroepelijk is beslist dat klaagschrift gegrond is. V.zv. OvJ o.g.v. art. 5.4.9.3 Sv het ter uitvoering van EOB vergaarde bewijsmateriaal aan uitvaardigende autoriteit al (voorlopig) ter beschikking heeft gesteld en rechter daarna beklag gegrond verklaart, moet door OvJ worden gehandeld zoals in HR:2022:887 is beschreven. Rb heeft door klaagster ingediend klaagschrift gegrond verklaard. Gelet daarop is cassatieberoep OM ontvankelijk. Bij beoordeling ontvankelijkheid cassatieberoep komt gelet op wat hiervoor is overwogen geen betekenis toe aan wat Rb in dictum van beschikking heeft opgenomen over last aan OvJ. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:580 m.b.t. kennisgeving a.b.i. art. 5.4.10.1 Sv. Overschrijding van de in art. 5.4.10.1 Sv genoemde termijn van 14 dagen na kennisgeving betekent in de regel dat klaagschrift n-o wordt verklaard, maar onder omstandigheden blijft dat rechtsgevolg achterwege. Dat is allereerst als door of namens OM de in art. 5.4.10.1 bedoelde kennisgeving is gedaan, maar waarbij gebrek aan kennisgeving verhindert dat klaagschrift tijdig wordt ingediend (vgl. HR:2022:580). Verder kan het gaan om geval waarin a.g.v. (andersoortige) aan klager niet toe te rekenen omstandigheden klager niet, althans niet voor verstrijken van de in art. 5.4.10.1 Sv genoemde termijn, bekend was met uitvoering van EOB en in dat verband (zo mogelijk) gedane kennisgeving. Daarvan kan sprake zijn als OM geen kennisgeving aan betreffende persoon heeft kunnen doen, maar persoon langs andere weg op de hoogte is geraakt van uitvoering EOB. In zo’n geval moet klaagschrift worden ingediend binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat betreffende persoon met uitvoering EOB bekend is geworden. Daarbij moet het gaan om klager die kan worden aangemerkt als betrokkene a.b.i. art. 5.4.10.1 Sv of als directe belanghebbende a.b.i. art. 5.4.10.2 Sv. Uit vaststellingen Rb volgt dat klaagster eigenaar is van woning, dat na doorzoeking ter inbeslagneming in deze woning ongedateerde kennisgeving beklagrecht is achtergelaten voor “bewoners” van pand en dat A als enige op dat adres stond ingeschreven. Klaagster stelt dat zij niet wist dat A op dat adres was ingeschreven en dat inbeslaggenomen voorwerpen aan haar toebehoren. Rb heeft als oordeel tot uitdrukking gebracht dat niet is komen vast te staan dat klaagster van kennisgeving op de hoogte is gekomen en dat niet aan haar kan worden toegerekend dat zij niet binnen 14 dagen nadien klaagschrift heeft ingediend. Daarnaast heeft Rb vastgesteld dat klaagster klaagschrift heeft ingediend binnen 14 dagen nadat zij had kennisgenomen van inbeslagneming. Gelet daarop getuigt oordeel Rb dat klaagschrift tijdig is ingediend niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Rb heeft bij beoordeling beklag tot uitgangspunt genomen dat sprake is van inbeslagneming o.g.v. een op verdrag gegrond verzoek van buitenlandse justitiële autoriteit tot verlenen van rechtshulp. Het gaat in deze zaak echter om inbeslagneming ter uitvoering van EOB. Bij beoordeling klaagschrift heeft Rb daarom ten onrechte niet beoordelingskader aangelegd dat van toepassing is in beklagprocedure i.v.m. uitvoering EOB (vgl. HR:2021:1940). Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken