HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:887
Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Roemeense autoriteiten op digitale gegevensdragers. 1. Geheimhouding gedeelte EOB en aanhoudingsverzoek. 2. Voorlopige terbeschikkingstelling bewijsmateriaal, art. 5.4.9 Sv. Mag de beklagrechter de beslissing van de OvJ tot voorlopige terbeschikkingstelling toetsen? 3. Moet een verzoek om onmiddellijke overdracht van het bewijsmateriaal worden gedaan in een (aanvullend) EOB? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:653 m.b.t. geheimhouding en daarmee verband houdende aanhoudingsverzoeken. In de overwegingen van de Rb ligt als oordeel besloten dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van het gehele EOB, zodat de kennisneming van het EOB in zoverre o.g.v. art. 23.6 Sv hun moet worden onthouden, en dat geen noodzaak bestaat om het OM op te dragen aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door klaagster van het gehele EOB. Die oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn, mede gelet op de mededeling van de OvJ dat hij het verzoek tot kennisneming van het EOB heeft voorgelegd aan de Roemeense autoriteiten, die daarop alleen toestemming hebben gegeven voor het verstrekken van onderdelen A-F, niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR schetst regeling van art. 5.4.9 Sv en herhaalt toetsingskader beklagrechter uit HR:2021:1940. Bij de beoordeling van het klaagschrift staat niet ter beoordeling van de rechter of de OvJ terecht toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid om het vergaarde bewijsmateriaal voorlopig ter beschikking te stellen aan de uitvaardigende autoriteit. De regeling van art. 5.4.9 Sv strekt ertoe zoveel mogelijk te voorkomen dat de overdracht van de resultaten van de uitvoering van het EOB feitelijk al heeft plaatsgevonden, wanneer de rechter nadien oordeelt dat zich een grond voordoet voor weigering of uitstel van de erkenning of uitvoering van het EOB. Een afzonderlijke toetsing door de beklagrechter van de voorlopige terbeschikkingstelling heeft in dat verband geen toegevoegde waarde en is daarom niet noodzakelijk. Als de rechter het beklag ongegrond verklaart, doet zich niet de situatie voor dat er strijd bestaat tussen de voorlopige terbeschikkingstelling door de OvJ en de latere beslissing van de rechter over het EOB. Als de rechter het beklag wel gegrond verklaart, heeft dat oordeel al tot gevolg dat de OvJ de uitvaardigende autoriteit moet verzoeken de terbeschikkingstelling te beschouwen als niet te hebben plaatsgevonden, de overgedragen resultaten niet (verder) te gebruiken en de betreffende voorwerpen te retourneren, dan wel de betreffende gegevens te vernietigen. Ad 3. Opvatting dat aan een verzoek van de uitvaardigende autoriteit om onmiddellijke overdracht van het bewijsmateriaal uitsluitend gevolg mag worden gegeven als dat verzoek in een (aanvullend) EOB is opgenomen, is onjuist omdat deze geen steun vindt in de tekst van art. 5.4.9.3 Sv en niet verenigbaar is met de door Richtlijn 2014/41/EU beoogde snelle en doeltreffende samenwerking in strafzaken. Ook de tekst van art. 13.2 Richtlijn 2014/41/EU dwingt niet tot het aannemen van een dergelijke beperking. Volgt verwerping. CAG komt tot verwerping na inhoudelijke beoordeling van de klachten over de toetsing door de Rb van de voorlopige terbeschikkingstelling.
De uitspraak op rechtspraak.nl