HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1700

‘Shredderzaak’. Doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen verbergen van lijk (art. 151 Sr). Cold case uit 2002. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Stelselmatige informatie-inwinning, art. 126j Sv. (a) Verslaglegging WOD-traject. Staat omstandigheid dat gesprekken met verdachte grotendeels niet auditief zijn opgenomen in de weg aan gebruik voor bewijs van twee wel opgenomen gesprekken? (b) Zijn verklaringen van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid verkregen? 2. Bewijsklacht ‘verbergen’ lijk. Ad 1. Hof heeft overwogen dat WOD-traject in deze zaak kenmerken vertoont van ‘Mr. Big’-methode en dat hof daarom toetsingskader uit ‘Mr. Big’-arresten van HR hanteert. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1982/1983 (‘Mr. Big’) m.b.t. beoordelingskader of verklaringen van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid zijn verkregen en uit HR:2021:947 m.b.t. rol van persoon van verdachte. Onder verwijzing naar rechtspraak EHRM over art. 6 EVRM en ‘privilege against self-incrimination’ (Ibrahim/Verenigd Koninkrijk, Allan/Verenigd Koninkrijk en Bykov/Rusland) voegt HR daaraan toe dat het aan de rechter is om in concreet geval te beoordelen of - aan op art. 126j Sv gebaseerde opsporingsmethode tot op zekere hoogte inherente - misleiding heeft plaatsgevonden in zodanige mate en binnen zodanig kader dat grenzen die bij toepassing van enige vorm van ‘compulsion’ (dwang) en ‘subterfuge’ (misleiding) in acht moeten worden genomen, niet zijn overschreden. HR herhaalt dat als verklaringen in strijd met verklaringsvrijheid zijn afgelegd in de regel slechts bewijsuitsluiting past (vgl. HR:2020:1889). Ook voor onderzoek naar betrouwbaarheid van verklaringen kunnen mate van druk die van door undercoveragent ondernomen activiteiten kan zijn uitgegaan en mate waarin gedragingen van undercoveragent tot verklaringen van verdachte hebben geleid van belang zijn. Ook kan van belang zijn in hoeverre onderdelen van verklaring steun vinden in andere uitlatingen van verdachte en in andere bewijsmiddelen. Ad (a). Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat sprake is van voldoende nauwkeurige verslaglegging die inzicht geeft in concreet verloop van uitvoering van opsporingsmethode en in interactie en communicatie met verdachte. Daarin besloten liggend oordeel dat hof in staat is geweest om rechtmatigheid van WOD-traject te beoordelen en dat omstandigheid dat slechts drie gesprekken zijn opgenomen niet in weg staat aan gebruik voor bewijs van twee van die gesprekken, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad (b). Hof heeft vastgesteld dat in voor bewijs gebruikte gesprekken niet is gebleken van door undercoveragent uitgeoefende druk of gestelde voorwaarde en geoordeeld dat geen sprake was van onacceptabele wijze van sturen of ongeoorloofde bemoeienis met inhoud van verklaring. Uit gesprekken heeft hof afgeleid dat verdachte toen zelf ervoor heeft gekozen zijn verhaal te delen. ‘s Hofs oordeel dat verdachte bij beide gesprekken is gaan verklaren door toelaatbare mate van misleiding, zonder dat druk op hem is gelegd om bekentenis af te leggen, geeft - tegen achtergrond van wat hof heeft vastgesteld over persoon van verdachte en relatie tussen verdachte en undercoveragenten - niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders door duur van (sociale) contacten tijdens traject. ’s Hofs conclusie dat voor bewijs gebruikte verklaringen niet zijn verkregen in strijd met verklaringsvrijheid geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Aansluitend heeft hof betrouwbaarheid van verklaringen onderzocht, waarbij o.m. acht is geslagen op opgenomen vertrouwelijke communicatie tussen verdachte en zijn vriendin, verankering in objectieve onderzoeksbevindingen en steun in verklaring van getuige over naar buitenland brengen van telefoon van slachtoffer. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2012:BR2841 over gedragingen van art. 151 Sr en uit HR:2018:321 dat ‘verbergen’ ook ziet op ‘verborgen houden’. Hof heeft vastgesteld dat verdachte lichaam van slachtoffer heeft begraven, met beton heeft afgedekt, na ongeveer twee maanden heeft opgegraven, door shredder heeft gehaald en de resten op bollenveld heeft uitgestrooid en dat die resten niet zijn gevonden. ‘s Hofs oordeel dat verdachte lijk heeft ‘verborgen’ geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken