HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2841
1. Uitleg van de term ‘verbranden’ als bedoeld in art. 151 Sr. Art. 151 Sr bevat een opsomming van de mogelijke, wettige en niet wettige, feitelijke gedragingen waarmee het behoud van het lijk als bewijsmateriaal wordt verhinderd, welke gedragingen elkaar niet steeds behoeven uit te sluiten en uit uiteenlopende handelingen kunnen bestaan. Naar algemeen spraakgebruik is onder ‘verbranden’ te verstaan: het door vuur doen verteren, ook zonder dat sprake behoeft te zijn van een volledig tot as reduceren. Het zou in strijd zijn met doel en strekking van deze bepaling als (ook overigens) aan het begrip ‘verbranden’ een zodanig specifieke betekenis zou toekomen dat daaronder alleen is begrepen het volledig tot as reduceren van het lijk. Daarop stuit het middel af. De Hoge Raad merkt vervolgens nog op dat de wetgever in dit verband geen bepaling heeft opgenomen overeenkomstig art. 189.3 Sr en dat er ook geen reden is die bepaling uit Titel VIII over Misdrijven tegen het openbaar gezag desalniettemin van toepassing te achten op art. 151 Sr. 2. Gegronde klacht over overschrijding redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl