Conclusie A-G Paridaens 29 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:741

Conclusie AG. Shredderzaak. Doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen verbergen lijk met oogmerk om feit en oorzaak overlijden te verhelen (art. 151 Sr). Falende middelen over onder meer (1) rechtmatigheid WOD-traject en gebruik verklaringen verdachte voor bewijs en (2) bewezenverklaring en kwalificatie 'verbergen' lijk. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02728
Zitting 29 augustus 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1 De verdachte is bij arrest van 20 juli 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 “doodslag” en onder 2 “medeplegen van een lijk verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de teruggave gelast van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

2 Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, acht middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

3 Deze zaak draait om de rol van de verdachte bij de verdwijning van [slachtoffer] begin januari 2002. Op 31 december 2001 was [slachtoffer] – samen met onder meer de verdachte – nog betrokken bij een drugstransport via Schiphol, waarbij na aankomst door anderen tevergeefs een poging is gedaan hem te rippen. Dat wordt door de verdachte niet betwist. Drie dagen later – op 3 januari 2002 – was [slachtoffer] spoorloos verdwenen, zoals blijkt uit de melding die zijn toenmalige partner in januari 2002 bij de politie deed. Het laatste contact tussen hen was een telefoongesprek in de avond van 2 januari 2002.

4 In de loop van januari 2002 kwam informatie binnen bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) over de verdwijning van [slachtoffer] . Die informatie hield in dat hij kort na de mislukte poging hem te rippen op 31 december 2001, was ontvoerd naar België. Hij zou daar zijn vermoord en gedumpt. Naar aanleiding van deze informatie heeft de politie eerst in 2002 en later opnieuw in 2011 onderzoek gedaan naar de verdwijning van [slachtoffer] , maar deze onderzoeken leverden geen concrete resultaten op. In november 2015 startte de politie het onderzoek dat uiteindelijk heeft geleid tot de onderhavige strafzaak tegen de verdachte. Gedurende dat onderzoek is de verdachte – samen met een inmiddels overleden medeverdachte – naar voren gekomen als persoon die met [slachtoffer] samenwerkte in het criminele milieu rondom het tijdstip van zijn verdwijning. In 2017 is een zogenaamd ‘Werken Onder Dekmantel’-traject (hierna: WOD-traject) ingezet. Een aantal undercoveragenten heeft zich in een periode van ongeveer zestien maanden – tussen oktober 2017 en februari 2019 – in de nabije omgeving van de verdachte en zijn vriendin begeven. Er was met name veelvuldig contact met de zich als liefdesstel voordoende undercoveragenten A-4083 en A-4084, die bij de verdachte en zijn vriendin bekend waren als ‘ [verbalisant 1] ’ en ‘ [verbalisant 2] ’. Tijdens het WOD-traject heeft de verdachte uiteindelijk tegenover undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ een aantal verklaringen afgelegd die duiden op zijn betrokkenheid bij de verdwijning van [slachtoffer] . De resultaten uit het WOD-traject gaven aanleiding tot het aanhouden van de verdachte in 2019 op verdenking van moord of doodslag op [slachtoffer] en het wegmaken van diens stoffelijk overschot.

5 Op 2 maart 2021 is de verdachte door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van de betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] (moord of doodslag) en het verbergen en verborgen houden van diens stoffelijk overschot. De rechtbank oordeelde dat de belastende verklaringen die de verdachte tegenover undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ had afgelegd, moesten worden uitgesloten van het bewijs. Het argument daarvoor was dat de tijdens het WOD-traject opgemaakte processen-verbaal – ook bezien in onderlinge samenhang met de verhoren van de betrokken undercoveragenten bij de rechter-commissaris – de rechtbank onvoldoende in staat stelden voldoende gedetailleerd te onderzoeken en beoordelen of de verdachte door misleiding en/of beloftes van de undercoveragenten, dan wel als gevolg van deze afhankelijkheidsrelatie tot de undercoveragenten, was beperkt in zijn verklaringsvrijheid.

6 In hoger beroep kwam het gerechtshof Amsterdam op 20 juli 2022 tot het oordeel dat de processen-verbaal en de verhoren bij de rechter-commissaris voldoende inzicht geven in het verloop van het WOD-traject om de rechtmatigheid daarvan te beoordelen en dat de belastende verklaringen van de verdachte uit het WOD-traject voor het bewijs konden worden gebruikt. Het hof kwam vervolgens – en dus anders dan de rechtbank – tot een veroordeling van de verdachte.

7 In cassatie wordt het arrest van het hof met acht middelen bestreden. De eerste vier middelen gaan over de afwijzing van het hof van verschillende verzoeken van de verdediging, die zien op het horen van getuigen, het benoemen van deskundigen en de inzage en het voegen van stukken in het dossier. Het vijfde middel klaagt over de verwerping van een verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het zesde middel richt zich tegen het oordeel van het hof over het WOD-traject en het gebruik van de gedurende dat traject door de verdachte afgelegde belastende verklaringen voor het bewijs. Het zevende middel richt zich tegen de bewezenverklaring en kwalificatie van het onder 2 tenlastegelegde voor zover deze inhouden dat de verdachte een lijk heeft verborgen. Tot slot bevat het achtste middel een klacht over de strafoplegging in verband met de gewijzigde regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling per 1 juli 2021.

Het eerste middel

8 Het middel klaagt over de afwijzing van de verzoeken van de verdediging tot het horen van verschillende bij het WOD-traject betrokken verbalisanten als getuigen.

9 Voordat ik het middel inhoudelijk bespreek, vat ik het voor dit middel relevante procesverloop samen. De verzoeken tot het horen van de getuigen zijn op de regiezitting van 9 november 2021 besproken en ter terechtzitting van 12 november 2021 door het hof afgewezen. De raadsman van de verdachte heeft op 21 juni 2022 bij gelegenheid van pleidooi opnieuw (voorwaardelijk) verzocht de getuigen te horen. Die verzoeken heeft het hof vervolgens bij arrest van 20 juli 2022 afgewezen. Uit de opbouw van het middel blijkt dat de stellers van het middel zich zowel richten tegen de afwijzing ter terechtzitting van 12 november 2021 als tegen de afwijzing bij arrest van 20 juli 2022.

De afwijzing ter terechtzitting van 12 november 2021

10 Het middel klaagt allereerst over de afwijzing door het hof van de verzoeken tot het horen van de bij het WOD-traject betrokken verbalisanten A-4083, A-4156, B-2784, B-2785, B-2844 en A-4084 als getuigen door het hof ter terechtzitting van 12 november 2021.

11 De door de verdediging gegeven onderbouwing van de verzoeken tot het horen van deze getuigen bevindt zich voor een belangrijk deel in de bijlage van een e-mailbericht van de raadsman van de verdachte van 29 oktober 2021 aan het hof. Ik heb mij afgevraagd of de daarin gegeven onderbouwing in cassatie een rol kan spelen. De op de regiezitting van 9 november 2021 overgelegde en bij het proces-verbaal gevoegde pleitnotities bevatten immers geen verwijzing naar (de bijlage bij) dit e-mailbericht. Uit het proces-verbaal van de regiezitting blijkt ook niet dat de e-mail door het hof als voorgelezen is beschouwd of dat daartoe een verzoek is gedaan. De e-mail wordt in dit proces-verbaal slechts vermeld onder de nieuw ingekomen en in het dossier te voegen stukken. Als nieuw ingekomen stuk wordt echter ook vermeld een eerder e-mailbericht van het hof van 15 oktober 2021 met het verzoek om eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. Het e-mailbericht van de raadsman van 29 oktober 2021 vormt kennelijk een reactie op dat (waarschijnlijk op doelmatigheidsoverwegingen gebaseerde) verzoek van het hof. Mede gelet op de onderbouwing van de reactie op de verzoeken door het hof ga ik ervan uit dat het hof bij de beoordeling van deze verzoeken acht heeft geslagen op de in de mail van 29 oktober 2021 gegeven onderbouwing daarvan. Die onderbouwing is daarmee ook in cassatie van belang.

12 De bijlage bij het e-mailbericht van de raadsman van 29 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in (de voetnoten heb ik weggelaten):

“Verzoek om het horen van getuigen ter terechtzitting

De verdediging wenst de getuigen A-4083 ( [verbalisant 1] ), A-4084 ( [verbalisant 2] ), B-2784 en B-2785 te mogen horen ter terechtzitting tijdens de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak. De verdediging wenst hen, mede naar aanleiding van de uitspraken welke cliënt heeft gedaan ter zitting d.d. 8 december 2021 over het WOD-traject, te horen en hen te confronteren met uitspraken van cliënt. De verdediging wenst hen onder andere te horen over de onderwerpen Portugal en Cambodja en de mogelijke financiële toezeggingen die aan cliënt zijn gedaan omtrent deze onderwerpen. De verdediging zal deze verzoeken nu nader onderbouwen.

Verzoek VIII

De verdediging verzoekt u om politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) als getuige te mogen horen ter terechtzitting gedurende de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak.

De Hoge Raad heeft aangegeven dat in verband met de vraag of de verklaringsvrijheid van de verdachte niet ontoelaatbaar is aangetast onder meer dient te worden gekeken naar de moeilijke financiële omstandigheden van de verdachte en zijn afhankelijkheid van door de organisatie verrichte en toegezegde betalingen, en het in scène zetten van een aantal situaties om de verdachte te laten geloven dat hij met een professionele, gewelddadige criminele organisatie van doen had.

Er bestaan diverse onduidelijkheden over de uitbetalingen aan cliënt en zijn partner [betrokkene 1] . Zo wordt er in het proces-verbaal van het WOD-dossier bijvoorbeeld gerelateerd dat er in totaal € 1.500,- euro zou worden betaald voor een schilderij van [betrokkene 1] . Daarvoor werd een aanbetaling gedaan van € 600,-. Uit het WOD-dossier blijkt vervolgens niet wanneer de politioneel informanten [verbalisant 1] en/of politioneel informant [verbalisant 2] de resterende € 900,- aan cliënt en [betrokkene 1] geeft. Dit in tegenstelling tot de opdracht die hij gekregen heeft van begeleiders B-2784 en B-2785. In het kader van de transparantie in het gehele proces en het inzicht in het financiële gewin acht de verdediging het noodzakelijk om politieel informant [verbalisant 1] hierover te horen op de inhoudelijke zitting op 15 december 2020 dan wel een nader te bepalen moment.

De verklaringen van politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) over financiële toezeggingen welke hij bij de rechter-commissaris heeft afgelegd staan diametraal tegenover zijn eigen whatsappgesprek met cliënt van 26 maart 2018 en de telefoongesprekken welke cliënt op 26 maart 2018 met familieleden heeft gevoerd over de deposit/vooruitbetaling waarbij cliënt er kennelijk van overtuigd was dat politioneel informant [verbalisant 1] de volgende dag met de beloofde deposit/vooruitbetaling van € 5.000,- op de proppen zou komen. De verdediging wil politioneel informant [verbalisant 1] graag confronteren met de verbatim uitwerkingen van deze telefoongesprekken.

Het dusdanig concreet in het vooruitzicht stellen van een financieel gewin/voordeel voor een kwetsbare verdachte die zich op dat moment in een financieel kwetsbare positie bevindt, zorgt mogelijk voor het creëren van een valse bekentenis. Voorts wenst de verdediging hem te horen over de bedragen van € 125.000/€ 200.000,- die politioneel informant [verbalisant 1] cliënt in het vooruitzicht zou hebben gesteld.

In de optiek van de verdediging begonnen de concrete financiële toezeggingen van politioneel informant [verbalisant 1] (A-4083) met een deposit voor de aankoop van het restaurant in Cambodja en eindigen deze met de belofte dat cliënt in Portugal een boot met vals geld zou mogen varen vanuit Lissabon naar Engeland waarmee cliënt veel geld zou kunnen verdienen.

De verdediging wenst politioneel informant [verbalisant 1] dus te horen over toezeggingen die zijn gedaan met betrekking tot de aankoop van schilderijen, de financiering en investering in het restaurant in Cambodja en de trip naar Portugal.

De verdediging heeft hieronder in een schema duidelijk gemaakt dat politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) tegenstrijdig heeft verklaard over de financiële toezeggingen met betrekking tot investeringen in het restaurant in Cambodja.

Politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) bij de rechter-commissaris d.d. 28 februari 2020
Politioneel
Informant A-4083
( [verbalisant 1] )
in WOD-dossier
[verdachte] in telefoongesprekken met derden
‘U houdt mij voor dat [verdachte] zegt dat de investering in het
restaurant om een bedrag van twee ton ging en dat er 5000 euro voorschot nodig was en vraagt mij wat ik daarover kan vertellen. In onze gesprekken heb ik alleen maar gedownsized in opdracht van het begeleidingsteam. Ik zei dan dat het voor [verdachte] en [betrokkene 1] absoluut onhaalbaar was. Wat ik met downsizen bedoel? Ik mocht de indruk of suggestie niet wekken dat ik het restaurant wel zou voorfinancieren of op enige andere manier zou investeren.’
Op p. 299 van het WOD-dossier is het volgende whatsappgesprek weergegeven tussen [verdachte] en politioneel informant A-4083 (politioneel informant):
[26-03-18 14:32:34] [verdachte] : Thanks voor je antwoord, maar ff to the point. ik moet morgen oké geven ivm deposit. anders gaat de inboedel eruit.. Ik hoor graag van je.. De rest is allemaal bespreekbaar [26-03-18 14:59:14] [verbalisant 1] : Deposit geen probleem, onderpand schilderij ofzo maar tijdsdruk voor rest moeten we bespreken. Gr p
[verdachte] heeft op 26 maart 2018 met zijn vader gebeid dat hij goed nieuws heeft omdat de investeerder morgen naar hem toekomt in verband met de vooruitbetaling.
[verdachte] zegt letterlijk in een telefoongesprek van 26 maart 2018 tegen zijn zus [betrokkene 2] dat ‘hij’, daarbij doelend op politioneel informant [verbalisant 1] , ‘morgen komt met de deposit.’ Kennelijk is er dus een toezegging aan [verdachte] gedaan door [verbalisant 1] dat hij de deposit zou betalen aan [verdachte] .
‘U vraagt mij of ik met [verdachte] heb. gesproken over een aanbetaling voor het restaurant. Ja, als u daar de 5.000 euro mee bedoelt, of de 30.000 euro voor de inboedel? Het waren meer gesprekken van de kant van [verdachte] en [betrokkene 1] , want wij hadden de opdracht om dat te downsizen en daar weg van te blijven.’

Gezien de telefoongesprekken tussen [verdachte] en zijn familie is het undercoveragent [verbalisant 1] kennelijk niet gelukt om weg te blijven van het toezeggen van een aanbetaling van € 5.000 euro.

Naar aanleiding van onder meer de bovenstaande uitlatingen acht de verdediging het noodzakelijk dat politioneel informant A-4083 wordt gehoord over het dusdanig concreet in het vooruitzicht stellen van een enorm financieel gewin/voordeel voor een kwetsbare verdachte die zich op dat moment in een financieel kwetsbare positie bevindt.

De verdediging geeft er de voorkeur aan om deze getuige te horen ter zitting tijdens de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak zodat het Hof zich een eigen impressie kan vormen van de waarde van de verklaringen van politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ).

De verdediging wenst politioneel informant [verbalisant 1] (A-4083) ook te horen over de harddrugsverslaving van cliënt. Dit om aan te tonen dat het hier gaat om een uiterst kwetsbare verdachte.

De verdediging wenst ook A-4084 ( [verbalisant 2] ) en de begeleiders B-2784 en B-2785 te horen over de harddrugsverslaving van cliënt.

Gezien het feit dat de politie, voorafgaand aan de WOD-inzet, onderzoek heeft gedaan naar de sociale media van cliënt en de telefoon van cliënt al voor de WOD-inzet onder de tap lag kan het niet anders zijn dan dat politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) moet hebben geweten dat cliënt voorafgaand aan en tijdens de WOD-inzet verslaafd was aan harddrugs. De hoeveelheid drugsgerelateerde sms- en telefoongesprekken van [verdachte] zijn zo talrijk dat het niet geloofwaardig is dat een undercoveragent die zich in het leven moet nestelen van zijn target, in casu [verdachte] , niet vooraf op de hoogte wordt gesteld van de gebruiken en gewoontes van zijn doelwit.

Het op dit punt ter terechtzitting horen van politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) en de overige getuigen is van belang omdat de verdediging wil aantonen dat cliënt, onder andere vanwege zijn harddrugsverslaving, een kwetsbare verdachte is en de verdediging gaat ervan uit dat het WOD-team voorafgaand aan de inzet wel degelijk wist dat cliënt verslaafd was aan harddrugs en een chronisch geldgebrek had maar dat undercoveragent [verbalisant 1] en zijn begeleiders dit vooralsnog willens en wetens blijven ontkennen omdat men weet dat daarmee de verklaringen van cliënt mogelijk op losse schroeven komen te staan.

De verdediging kan zich niet voorstellen dat de politie wel de beschikking had over de sms’jes en telefoongesprekken van Cliënt waaruit blijkt dat hij voor november 2017 en tijdens de WOD-inzet verslaafd was maar dat dit de undercoveragenten en hun begeleiders niet bekend was. De verdediging wenst politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) op zitting te confronteren met de drugsgerelateerde telefoongesprekken en sms’jes van cliënt en hem hierover te bevragen.

Politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) heeft bij de rechter-commissaris op 28 februari 2020 het volgende verklaard:

‘U vraagt mij of ik voorafgaand aan de inzet op de hoogte was van de verslavingsproblematiek van [verdachte] . Nee. Of ik ook niet op de hoogte was van zijn slechte gezondheid? Nee. Dat hij medicijnen gebruikte? Nee, behalve dan dat [verdachte] tijdens ons contact pijnstillers nam voor zijn versleten knie. De operatie werd uitgesteld. Verder gebruikte [verdachte] hasjolie, om in slaap te kunnen vallen. U vraagt mij of ik op de hoogte was van hun financiële situatie voorafgaand aan de inzet. Nee. U vraagt mij of ik met [verdachte] en [betrokkene 1] op de woonboot heb gesproken over de investering in Cambodja. Jazeker. Dat gesprek is niet opgenomen.’

Ook naar aanleiding van de uitlatingen van cliënt tijdens de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 acht de verdediging het noodzakelijk dat politioneel informant A-4083, A-4084 ( [verbalisant 2] ) en de begeleiders B-2784 en B-2785 worden gehoord over de financiële situatie en harddrugsverslaving van cliënt. Cliënt verklaarde tijdens de inhoudelijke behandeling d.d. 8 december 2020: “Vlak voordat [verbalisant 1] mij kwam ophalen, rookte ik crack en dronk ik een drankje. Ik deed dit uit het zicht van [betrokkene 1] .”

Ook verklaart cliënt op de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 dat hij op 9 mei 2018 waarschijnlijk speed heeft aangeboden aan [verbalisant 1] . “Waarom ik [verbalisant 1] een envelopje speed aanbood? Zo ben ik. Ik deel altijd alles. Bier drink ik ook nooit alleen.”

De verdediging acht het noodzakelijk dat ook op grond van het bovenstaande politioneel informant A-4083 en begeleiders worden gehoord om aan te tonen dat zij op de hoogte waren van de verslavingsproblematiek van cliënt. De verdediging wenst politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) op de inhoudelijke zitting te confronteren met de drugsgerelateerde telefoongesprekken en sms’jes van cliënten de uitlatingen van cliënt op de inhoudelijke zitting van 8 december 2020 en hem hierover te bevragen.

Politioneel informant A-4083 horen over de reis met [verdachte] naar Portugal

De verdediging wenst politioneel informant A-4083 voorts te horen over de reis met cliënt naar Portugal.

Op 16 maart 2020 heeft politioneel informant [verbalisant 1] (A-4083) in zijn tweede verhoor bij de rechter-commissaris het volgende verklaard over de trip naar Portugal:

‘Ik zou [verdachte] meenemen naar Portugal om vrienden te bezoeken en leuke dingen te doen. Ik ben altijd heel oppervlakkig gebleven over mijn werkzaamheden. Ik was voornamelijk in het buitenland vanwege mijn werk in de offshore sector. Wij hebben niet gesproken over criminele activiteiten in Portugal.’

‘Op vragen van mr. Lonterman: U vraagt mij welke vrienden er in Portugal ontmoet zouden worden. Dat heb ik niet uitgelegd. Ik zat veel in Portugal, ik had daar vrienden, werk en plezier. Ik heb het nooit expliciet met [verdachte] gehad over welke vrienden er ontmoet zouden worden. Of er een speciale reden was dat ik alleen met [verdachte] zou gaan? Dat was puur uit sociaal oogpunt. We gingen heel vriendschappelijk met elkaar om. Ik vond het leuk om hem een keer mee te nemen, het had niets met criminele activiteiten te maken.’

Deze uitspraak van politioneel informant [verbalisant 1] staat in schril contrast met een uitspraak van zijn begeleider (B2785) over wat er aan activiteiten zou worden ontplooid in Portugal door [verdachte] en [verbalisant 1] :

‘U houdt voor dat [verbalisant 1] aan [verdachte] vroeg om het paspoort voor een trip naar Portugal. [verdachte] en [verbalisant 1] zouden samen naar Portugal gaan, maar dat is niet doorgegaan. U vraagt mij of de trip een illusie was of dat het echt door zou gaan. Illusie, we denken meestal een paar stappen vooruit. Dit haakje is door [verdachte] zelf gegeven, omdat hij affiniteit met boten had. Dat is waar gemeenschappelijke interesses elkaar vinden. Wat voor trip het zou zijn? [verdachte] zou mogelijk een functie als kok op een boot kunnen krijgen. U houdt mij voor dat de illusie bij [verdachte] gewekt was dat er vals geld mee zou kunnen gaan tijdens het reizen met de boot. Dat kan, daar durf ik niet volmondig ja of nee op te zeggen.’

Politioneel informant [verbalisant 1] heef het dus over een gezellig vakantietripje terwijl begeleider B2785 het heeft over een functie die [verdachte] op een boot in Portugal zou kunnen krijgen.

[verdachte] heeft ter terechtzitting meerdere malen verklaard dat [verbalisant 1] hem lekker had gemaakt voor een baan waarbij hij met een boot vanuit Lissabon kon uitvaren naar Engeland om vals geld te smokkelen.

De verdediging heeft de indruk dat politioneel informant [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris zeker niet het achterste van zijn tong heeft laten zien.

Dat er in Portugal wel sprake van ‘business’ was en geen ‘pleasure’ blijkt alleen al uit een appje van politioneel informant [verbalisant 1] (A-4083) aan [verdachte] op 20 november 2018:

‘[20-11-18 09:36:49] [verbalisant 1] : Bom dia vrienden. Ik zit nu vr een paar dagen in Portugal vr de business. En afgelopen week had de griep me te pakken ben nog nie de ouwe maar wat moet dat moet he...’

Voorts bevat het dossier nog een hele sterke aanwijzing dat [verdachte] de waarheid spreekt over de boot in Portugal en het vals geld.

Op pagina 190 en 191 van het procesdossier staat het volgende weergegeven in een gesprek van 24 januari 2019 tussen cliënt en politioneel informant [verbalisant 1] over het vermeende ombrengen van [slachtoffer] :

I= A-4083 ( [verbalisant 1] )

A= [verdachte]

‘I: Aan de ene kant heb je een goed verhaal. Weetje…dat over die moord dan he. Die gozer die je overhoop gepompt hebt. Zal ik hem hier ff neerzetten?
A: Ja.
I: Ik wil je wat laten zien. Hier staat niks of niemand..
A: Nee geen camera’s...
‘I: Nee he, maar ik ben harstikke blij met je he want wij hadden het over vertrouwen. Vertrouwen, eerlijkheid en zeker nu je meegaat naar Portugal. En ik denk dat daar gewoon goed in de business gaan. Alleen het verhaal klopt op driekwart enne want er loopt nog geen onderzoek maar er is wel... Mensen hebben wel erover gesproken.’

Door de verklaringen van begeleider B-2784 inhoudende dat cliënt wel degelijk een functie op een boot in Portugal zou krijgen, de verklaring van cliënt dat hij een functie op de boot in Portugal zou krijgen om vals geld te vervoeren en de uitspraken van politioneel informant [verbalisant 1] in de gesprekken met cliënt op 24 januari 2019 dat zij in Portugal ‘goed in de business gaan’ is de verdediging van mening dat politioneel informant [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris bezijden de waarheid heeft verklaard over wat hij met cliënt zou gaan doen in Portugal. Derhalve wenst de verdediging politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ) op dit punt ook aanvullende vragen te stellen tijdens de inhoudelijke behandeling. Deze financiële toezegging over Portugal heeft er namelijk toe geleid dat cliënt de undercoveragent het broodje Aap verhaal heeft verteld over [slachtoffer] om zo in aanmerking te komen voor de functie op die boot met vals geld.

Ook naar aanleiding van de uitlatingen van cliënt tijdens de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 op de vraag van de voorzitter wanneer cliënt gouden bergen rook en cliënt verklaarde dat dit vanaf de plannen voor Portugal was om de organisatie van [verbalisant 1] te ontmoeten en de verklaring van cliënt: “Mij is keihard toegezegd dat ik bakken met geld kon verdienen in Portugal, ik wou [verbalisant 1] aanhouden als vriend, als baas” acht de verdediging het noodzakelijk om politioneel informant A-4083 nogmaals te horen op de inhoudelijke behandeling.

Op 16 maart 2020 heeft politioneel informant [verbalisant 1] (A-4083) in het tweede verhoor bij de rechter-commissaris het volgende verklaard over de trip naar Portugal:

‘Ik zou [verdachte] meenemen naar Portugal om vrienden te bezoeken en leuke dingen te doen. Ik ben altijd heel oppervlakkig gebleven over mijn werkzaamheden. Ik was voornamelijk in het buitenland vanwege mijn werk in de offshore sector. Wij hebben niet gesproken over criminele activiteiten in Portugal.’

‘Op vragen van mr. Lonterman: U vraagt mij welke vrienden er in Portugal ontmoet zouden worden. Dat heb ik niet uitgelegd. Ik zat veel in Portugal, Ik had daar vrienden, werk en plezier. Ik heb het nooit expliciet met [verdachte] gehad over welke vrienden er ontmoet zouden worden. Of er een speciale reden was dat ik alleen met [verdachte] zou gaan? Dat was puur uit sociaal oogpunt. We gingen heel vriendschappelijk met elkaar om. Ik vond het leuk om hem een keer mee te nemen, het had niets met criminele activiteiten te maken.’

Deze uitspraak van politioneel informant [verbalisant 1] staat in schril contrast met een uitspraak van zijn begeleider (B2785) over wat eraan activiteiten zou worden ontplooid in Portugal door [verdachte] en [verbalisant 1] :

U houdt voor dat [verbalisant 1] aan [verdachte] vroeg om het paspoort voor een trip naar Portugal. [verdachte] en [verbalisant 1] zouden samen naar Portugal gaan, maar dat is niet doorgegaan. U vraagt mij of de trip een illusie was of dat het echt door zou gaan. Illusie, we denken meestal een paar stappen vooruit. Dit haakje is door [verdachte] zelf gegeven, omdat hij affiniteit met boten had. Dat is waar gemeenschappelijke interesses elkaar vinden. Wat voor trip het zou zijn? [verdachte] zou mogelijk een functie als kok op een boot kunnen krijgen; U houdt mij voor dat de illusie bij [verdachte] gewekt was dat er vals geld mee zou kunnen gaan tijdens het reizen met de boot. Dat kan, daar durf ik niet volmondig ja of nee op te zeggen.’

Politioneel informant [verbalisant 1] heeft het dus over een gezellig vakantietripje terwijl begeleider B2785 het heeft over een functie die [verdachte] op een boot in Portugal zou kunnen krijgen en niet uitsluit of de illusie is gewekt om vals geld te verdienen. In overeenstemming met de verklaring van cliënt over de toezegging van bakken met geld verdienen in Portugal acht de verdediging het dan ook noodzakelijk om politioneel Informant A-4083 nogmaals te horen op de inhoudelijke zitting op 15 december 2020 dan wel een nader overeen te komen moment.

De verdediging wenst politioneel informant A-4083 te horen over zijn rol als “The mister Big”

De verdediging acht het tevens noodzakelijk om politie informant A-4083 te horen gezien de uitlatingen van cliënt over de rol van “ [verbalisant 1] ” tijdens de inzet en welke indruk hij maakte op cliënt.

Naar aanleiding van de uitlatingen door cliënt op de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 komt naar voren dat politie informant A-4083 impliceert dat hij een ‘grote baas’ is. Zo verklaarde cliënt dat [verbalisant 1] (A-4083) tijdens een rit heeft gezegd dat hij kan regelen dat er politiezaken worden weggehaald. Ook verklaarde cliënt dat hij bang was voor [verbalisant 1] . “Hij maakte een goede indruk, Hij had zijn zaken voor elkaar. Hij kon mij zeker iets aandoen. Ook omdat ik een knieaandoening had. Ik kon niet zomaar weglopen”. Daarnaast verklaarde cliënt op zitting dat als [verbalisant 1] € 200.000 ging financieren hij als financieel adviseur op papier zou staan: “Zij hebben gezegd dat [verbalisant 1] waarschijnlijk twee kon investeren.”

Ook verklaarde cliënt op de zitting van 8 december 2020 dat [verbalisant 1] over kwam als een jongen die in louche zaken zat. “Wat mijn beeld van [verbalisant 1] was? Dat [verbalisant 1] goed in de slappe was zat. Hij had foute kleding aan; een fout lederen jack. Ook had hij een Mercedes-AMG en een Ferrari waar er maar twee van in Nederland waren. [verbalisant 1] woonde in een woontoren in [plaats] .”

Op grond van het bovenstaande dat tijdens de inhoudelijke zitting is verklaard, acht de verdediging het noodzakelijk dat politioneel informant A-4083 wordt gehoord over zijn rol tijdens de inzet met het oog op het in scène zetten van een aantal situaties om [verdachte] te laten geloven dat hij met een professionele, gewelddadige criminele organisatie van doen had. Volgens de verdediging zorgt de financiële afhankelijkheid, de verslavingsproblematiek en de indruk van een grote ‘mister Big’ mogelijk voor het creëren van een valse bekentenis.

De verdediging wenst politioneel informant [verbalisant 1] te horen over klussen doen met [verdachte] zonder voorafgaande opdrachten van begeleiders in het WOD-dossier. De verdediging wenst namelijk meer inzicht te krijgen in het verloop van het WOD-traject.

Politioneel informant [verbalisant 1] heeft op 12 september 2018 in zijn proces-verbaal geverbaliseerd dat hij de opdracht op 11 september 2018 heeft gehad om cliënt op te bellen om mee te helpen bij een klus. Echter ontbreekt de opdracht voor het initiëren van de klus van het begeleidingsteam in het WOD-dossier. De verdediging kan door deze wijze van verslaglegging niet nagaan of de begeleiders in kwestie daadwerkelijk een opdracht aan politioneel informant [verbalisant 1] hebben gegeven of dat hij deze klus zelf heeft geïnitieerd. In het kader van de beoordeling van de transparantie van het WOD-traject is het noodzakelijk om politioneel informant [verbalisant 1] hierover te horen tijdens de inhoudelijke behandeling.

Politioneel informant [verbalisant 1] heeft op 30 oktober 2018 in een proces-verbaal geverbaliseerd dat hij de opdracht op 30 oktober 2018 van zijn begeleidingsteam krijgt om met [verdachte] tot een afspraak te komen voor donderdag 1 november 2018. Echter ontbreekt de opdracht ook hier voor het initiëren van de klus van het begeleidingsteam in het WOD-dossier. Pas op de dag zelf, 1 november 2018, geeft het begeleidingsteam de opdracht om daadwerkelijk de klus uit te voeren. Van een opdrachten tot initiëren en het in totaal 2 maal voorstellen van een klus ontbreekt ieder spoor. De verdediging kan door deze wijze van verslaglegging niet nagaan of de begeleiders in kwestie daadwerkelijk een opdracht aan politioneel informant [verbalisant 1] hebben gegeven of dat hij deze klus zelf heeft geïnitieerd en op de dag zelf pas goedkeuring is gegeven. In het kader van de transparantie van het WOD-traject en de totstandkoming van klussen binnen de fictieve criminele organisatie acht de verdediging het dan ook noodzakelijk om politioneel informant [verbalisant 1] hierover te horen tijdens de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak.

De verdediging geeft er de voorkeur aan om deze getuige te horen ter zitting tijdens de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak zodat het Hof zich een eigen impressie kan vormen van de waarde van de verklaringen van politioneel informant A-4083 ( [verbalisant 1] ).

Verzoek IX: Verzoek om horen van getuige [verbalisant 2] (A-4084) ter terechtzitting

De verdediging wenst voorts getuige A-4084 ( [verbalisant 2] ) te horen. De Hoge Raad heeft aangegeven dat in verband met de vraag of de verklaringsvrijheid van de verdachte niet ontoelaatbaar is aangetast onder meer dient te worden gekeken naar de moeilijke financiële omstandigheden van de verdachte en zijn afhankelijkheid van door de organisatie verrichte en toegezegde betalingen en het in scène zetten van een aantal situaties om de verdachte te laten geloven dat hij met een professionele, gewelddadige criminele organisatie van doen had.

Naar aanleiding van de uitlatingen van cliënt tijdens de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 acht de verdediging het noodzakelijk dat politie informant A-4084 wordt gehoord ter terechtzitting. Cliënt heeft in eerste aanleg tijdens de inhoudelijke behandeling op 8 december verklaard dat “ [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geïnteresseerd waren om te investeren. We begonnen te praten over het financiële plaatje. Zowel op de boot als in [plaats] werden plannen gepresenteerd met een stickje. Geld kwam ter sprake”.

Naar aanleiding van onder andere bovenstaande uitlatingen acht de verdediging het noodzakelijk dat politioneel informant A-4084 wordt gehoord over het dusdanig concreet in het vooruitzicht stellen van een enorm financieel gewin/voordeel onder andere in de vorm van financiële beloftes over het investeren in een restaurant in Cambodja voor een kwetsbare verdachte die zich op dat moment in een financieel kwetsbare positie bevindt. Volgens de verdediging zorgt het financieel afhankelijk maken voor het creëren van een valse bekentenis.

Er bestaan diverse onduidelijkheden over de uitbetalingen aan [verdachte] en [betrokkene 1] . Zo wordt er in het proces-verbaal van het WOD-dossier bijvoorbeeld gerelateerd dat er in totaal € 1.500,- euro zou worden betaald voor een schilderij van [betrokkene 1] . Daarvoor werd een aanbetaling gedaan van € 600,-. Uit het WOD-dossier blijkt vervolgens niet wanneer undercover [verbalisant 1] en/of undercover [verbalisant 2] de resterende € 900,- aan [verdachte] en [betrokkene 1] geeft. Dit in tegenstelling tot de opdracht die hij gekregen heeft van begeleiders B-2784 en B-2785. In het kader van de transparantie in het gehele proces en het inzicht in het financiële gewin acht de verdediging het noodzakelijk om politieel informant [verbalisant 2] hierover te horen op de inhoudelijke zitting op 15 december 2020 dan wel een nader te bepalen moment.

De verdediging geeft er de voorkeur aan om deze getuige te horen ter zitting tijdens de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak zodat het Hof zich een eigen impressie kan vormen van de waarde van de verklaringen van politioneel informant A-4084 ( [verbalisant 2] ).

Verzoek X: Verzoek om horen de getuigen B-2784 en B-2785 te mogen ter terechtzitting

De verdediging wenst voorts de begeleiders B-2784 en B-2785 te horen. Deze begeleiders zijn voorafgaand en tijdens het WOD-traject betrokken geweest bij deze zaak.

Begeleider B-2784 heeft op 28 mei 2020 bij de rechter-commissaris het volgende verklaard:

‘Of er ooit voorafgaand aan de inzet bleek dat [verdachte] verslavingsproblematiek had? Dat durf ik niet met zekerheid te stellen. Of ik wist dat [verdachte] verslaafd was aan drugs en drank? Van de softdrugs wist ik het wel, van de harddrugs is dat pas bij de ontmoetingen helder geworden. Of ik wist dat [verdachte] begeleid werd door hulpverleningsinstanties? Nee.’

Uit de taps die in 2017 al liepen op de telefoon van bleek dat hij drugs bestelde en onder toezicht stond van hulpverleningsinstanties.

Getuige B-2784 heeft bij de rechter-commissaris op 28 mei 2020 het volgende verklaard:

‘Ik weet dat er gesproken is over investeren in Cambodja en dat [verdachte] met een hulpvraag kwam. Volgens mij is 5000 euro een bedrag dat [verdachte] zelf wilde betalen, betrof handgeld of iets dergelijks. Toen is door ons gezegd dat hij dat niet moest doen. U zegt dat bij [verdachte] de illusie bestond dat de informanten met 3.000 of misschien zelfs 125.000 euro over de brug zouden kunnen komen en vraagt of wij daar een beetje in meegegaan zijn. Nee, dat is vooral in het hoofd van [verdachte] gebeurd. Wij hebben wel gebruik gemaakt van het gevoel dat bij [verdachte] leefde. Daarna wilden wij teleurstelling voorkomen en hebben wij het gedownsized.’

B-2875 heeft op 28 mei 2020 het volgende bij de rechtercommissaris verklaard:

‘We kijken naar een goede manier om iemand te kunnen benaderen. Hier was dat het kopen van een schilderij. In hoeverre de financiële situatie van [verdachte] een rol speelde? Niet. Of ook de verslavingsproblematiek [verdachte] is bekeken? Nee’

Zoals reeds ter onderbouwing op het verzoek om A-4083 ( [verbalisant 1] ) te horen is aangevoerd gaat het de verdediging om de vraag of er nu wel of niet concrete financiële toezeggingen zijn gedaan aan [verdachte] .

De Hoge Raad heeft in de Posbankzaak aangegeven dat in verband met de vraag of de verklaringsvrijheid van de verdachte niet ontoelaatbaar is aangetast onder meer dient te worden gekeken naar de moeilijke financiële omstandigheden van de verdachte en zijn afhankelijkheid van door de organisatie verrichte en toegezegde betalingen, en het in scène zetten van een aantal situaties om de verdachte te laten geloven dat hij met een professionele, gewelddadige criminele organisatie van doen had.

Naast de vragen die de verdediging heeft over de financiële omstandigheden en verslavingsproblematiek van cliënt aan de eerder genoemde begeleiders acht de verdediging het tevens noodzakelijk dat begeleiders B-2784 en B-2785 worden gehoord over de uitlatingen van cliënt op de vragen van de rechtbank op de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020; op pagina 71 van het WOD-dossier komt naar voren dat politie-informant A-4083 verklaart dat hij in staat is bij problemen om informatie te checken bij een kennis van hem bij de politie. De verdediging vraagt zich af of begeleiders B-2784 en B-2785 hier opdracht toe hebben gegeven nu dit niet in het WOD-dossier op pagina 70 staat aangegeven. De verdediging wenst dan ook op grond van het noodzakelijkheidsbelang om begeleiders B-2784 en B-2785 tijdens de inhoudelijke zitting te horen.

Er bestaan diverse onduidelijkheden over de uitbetalingen aan [verdachte] en [betrokkene 1] . Zo wordt er in het proces-verbaal van het WOD-dossier bijvoorbeeld gerelateerd dat er in totaal € 1.500,- euro zou worden betaald voor een schilderij van [betrokkene 1] . Daarvoor werd een aanbetaling gedaan van € 600,-. Uit het WOD-dossier blijkt vervolgens niet wanneer undercover [verbalisant 1] en/of undercover [verbalisant 2] de resterende € 900,- aan [verdachte] en [betrokkene 1] geeft. Dit in tegenstelling tot de opdracht die hij gekregen heeft van begeleiders B-2784 en B-2785. In het kader van de transparantie in het gehele proces en het inzicht in het financiële gewin acht de verdediging het noodzakelijk B-2784 en B-2785 hierover te horen op de inhoudelijke zitting op 15 december 2020 dan wel een nader te bepalen moment.

De verdediging geeft er de voorkeur aan om deze getuigen te mogen horen ter zitting tijdens de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak zodat het Hof zich een eigen impressie kan vormen van de waarde van de verklaringen van de getuigen B-2784 en B-2785.”

13 De op de regiezitting van 9 november 2021 overgelegde pleitnotities van de raadsman houden daarnaast het volgende in ten aanzien van de verzoeken tot het horen van getuigen:

“Verzoeken 8 t/m 10: horen politioneel informanten (A’tjes en B’tjes)

Aanvulling op het verzoek:

• Aangezien de A’s en B’s zich in eerdere instantie bij de r-c hebben aangegeven dat zij zich niet voorbereiden en op het moment van mogelijk verhoor reeds zeer veel tijd tussen de gebeurtenissen en het verhoor is verlopen lijkt het meest aangewezen dat de journaals en/of schriftelijke vastleggingen van het WOD-team als processtukken worden gevoegd. Aan de hand van deze stukken kunnen dan, indien nodig, nog nadere vragen worden gesteld.

• De A-G geeft aan dat A-4083 ( [verbalisant 1] ) moet worden gehoord over zijn alcoholgebruik. Kennelijk is dit een waardevolle parameter voor wat er op papier komt te staan. Mutatis mutandis geldt dit dan ook voor cliënt.

• De verdediging kan zich vinden in het voorstel van de A-G dat A-4083 ( [verbalisant 1] ) wordt gehoord in het bijzijn van cliënt. Met dien verstande dat dit op een openbare terechtzitting zal plaatsvinden.

• De verdediging stelt voor dat, bij mogelijke toewijzing, de politioneel informanten en hun begeleiders worden gehoord ter terechtzitting zodat uw Hof zich een eigen impressie kan vormen van deze getuigen en u de mogelijkheid heeft om zelf nadere vragen te stellen. Nu ook volgens de Hoge Raad de totstandkomingsgeschiedenis der stukken van het grootste belang is, licht het voor de hand dat juist de zittingsrechter (de directe beoordelaar van het verkregen materiaal) de opstellers der stukken persoonlijk ondervraagt. Een en ander mede in het licht dat er zo weinig opnamen zijn gemaakt gedurende het WOD-traject en de reden daarvoor.

Zelfs mensen die een hogere graad van gevaar lopen zoals kroongetuigen kunnen ter zitting worden gehoord. Al dan niet bijvoorbeeld met vermomming, stemvervorming en een afgeschermd hokje.”

14 Tot slot heeft de raadsman volgens het proces-verbaal van de regiezitting van 9 november 2021 het volgende meegedeeld in aanvulling op zijn pleitnotities:

“8-10) Het horen als getuige van de A- en B-nummers

De WOD-medewerkers hebben in hun eerdere verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard geen herinnering meer te hebben aan bepaalde gebeurtenissen. Het zou dan ook vreemd zijn indien zij zich in hoger beroep ineens wel weer veel kunnen herinneren. Ik heb geen bezwaar tegen het treffen van beschermende maatregelen ten behoeve van hun verhoor als getuige. Het heeft mijn voorkeur de A- en B-nummers als getuige ter terechtzitting te horen zodat het hof zelf een impressie heeft van hun verhoren en de gelegenheid heeft hen zelf vragen te stellen.”

15 Het hof heeft de verzoeken tot het horen van de getuigen ter terechtzitting van 12 november 2021 afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“Het hof wijst af de verzoeken van het Openbaar Ministerie en de verdediging tot het horen als getuige van undercoveragenten A-4083 ( [verbalisant 1] ), A-4156 ( [verbalisant 3] ), B-2784, B-2785 en B-2844 en het verzoek van de verdediging tot het horen als getuige van undercoveragent A-4084 ( [verbalisant 2] ). De thema’s waarover voornoemde getuigen zouden moeten worden gehoord, zien in het bijzonder op de onderwerpen Cambodja, Portugal en de kwetsbaarheid van verdachte. Onder die laatste noemer vallen de gestelde harddrugsverslaving, de penibele financiële situatie van de verdachte en diens vriendin en de gestelde druk die verdachte ondervond in het contact met undercoveragent [verbalisant 1] . Het hof constateert dat die thema’s reeds in eerdere verhoren van de getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris aan de orde zijn geweest in het bijzijn van de verdediging, waarbij de mogelijkheid aanwezig was om vragen te stellen. Gelet op die achtergrond acht het hof het horen als getuige van de verzochte personen niet noodzakelijk, terwijl ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken.”

16 De stellers van het middel betogen dat het hof de getuigen ten onrechte “niet zelf ter terechtzitting [heeft] ondervraagd”, althans “ten onrechte daarbij als criterium het noodzaakscriterium [heeft] gehanteerd”, althans niet heeft doen blijken in hoeverre “voldaan is aan de eisen van een eerlijk proces”. Daarbij wordt als overkoepelend argument gegeven dat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken omdat de processen-verbaal volgens de rechtbank – kort gezegd – onvoldoende inzicht geven in het verloop van het WOD-traject en het hof de verdachte in hoger beroep heeft veroordeeld op basis van die processen-verbaal. Verder wordt betoogd dat de afwijzing ontoereikend is gemotiveerd, nu de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg uitgebreid is verhoord en daarbij nieuwe informatie heeft gegeven over zijn contacten met de undercoveragenten en daarbij heeft verklaard waarom hij was verleid om zijn ‘broodje aap’-verhaal te vertellen.

17 Ten eerste maak ik uit het voorgaande op dat er volgens de stellers van het middel – gelet op de vrijspraak in eerste aanleg – in verband met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM een verplichting voor het hof bestond de getuigen ambtshalve op te roepen en te ondervragen en dat het hof de door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van de getuigen alleen al daarom had moeten toewijzen. In de toelichting wordt namelijk gewezen op een aantal arresten van het EHRM en wordt gesteld dat de rechter in hoger beroep in sommige gevallen “gehouden is getuigen zelf te doen horen zelfs zonder dat de verdediging daarom heeft verzocht, en wel indien de vorige instantie de getuigen heeft gehoord en de verdachte heeft vrijgesproken”.

18 De genoemde arresten van het EHRM gaan over het geval waarin de verdachte in eerste instantie is vrijgesproken omdat de rechter een doorslaggevende getuigenverklaring niet (voldoende) geloofwaardig of betrouwbaar heeft geacht en het hof vervolgens in tweede instantie op basis van diezelfde getuigenverklaring wel tot een veroordeling denkt te kunnen komen. Dan – aldus het EHRM in bijvoorbeeld de zaak-Lazu – laat art. 6 EVRM niet toe dat die veroordeling in tweede instantie wordt uitgesproken zonder een “direct assessment of the evidence”. Daarmee benadrukt het EHRM de verantwoordelijkheid van de rechter – ook die in hoger beroep – om de betrouwbaarheid van het (getuigen)bewijs te beoordelen. Die verantwoordelijkheid bestaat altijd, maar laat zich – zo begrijp ik het EHRM – nog sterker voelen als de rechter in hoger beroep tot een ander oordeel komt over de betrouwbaarheid dan de rechter in eerste aanleg, als gevolg waarvan een vrijspraak in eerste aanleg omslaat in een veroordeling in hoger beroep.

19 De vraag of het niet ambtshalve oproepen van een getuige ter terechtzitting in strijd is met art. 6 EVRM als in twee instanties verschillend wordt geoordeeld over de betrouwbaarheid van die getuige, heeft ook tot jurisprudentie van de Hoge Raad geleid. In een arrest van 16 oktober 2018 overwoog de Hoge Raad:

“In een geval als het onderhavige, dat zich kenmerkt door de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen, dient de rechter in hoger beroep, indien hij die verklaring wel voor het bewijs gebruikt, ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing daartoe de redenen op te geven. In het bijzonder moet de rechter in hoger beroep vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. Die gronden kunnen, maar behoeven niet te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin de verklaring van de getuige steun vindt in andere bewijsmiddelen, alsook de door het Openbaar Ministerie tegen de vrijspraak aangevoerde bezwaren en de procesopstelling van de verdachte.”

20 Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, doet zich in de onderhavige zaak zo’n bijzonder geval niet voor. De rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken omdat zij vond dat zij op basis van de tijdens het WOD-traject opgemaakte processen-verbaal onvoldoende kon onderzoeken en beoordelen of de verdachte was beperkt in zijn verklaringsvrijheid, waardoor de tijdens het WOD-traject afgelegde verklaringen van de verdachte niet voor het bewijs konden worden gebruikt en er onvoldoende ander bewijs was om tot een veroordeling te komen. Met dat oordeel heeft de rechtbank niet gezegd dat de als getuigen verzochte verbalisanten en/of (de inhoud van) hun processen-verbaal onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zijn, maar slechts een juridisch criterium uit de (later nog uitgebreid te bespreken) ‘Mr. Big’-jurisprudentie van de Hoge Raad anders gewogen dan het hof later heeft gedaan. Er is dus geen sprake van de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij de belastende verklaringen van de verzochte getuigen niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen, terwijl het hof die verklaringen wel voor het bewijs gebruikt. Daarnaast kan ten overvloede nog worden opgemerkt dat het hof zijn oordeel over de rechtmatigheid van het WOD-traject en de betrouwbaarheid van de tijdens dat traject afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte uitgebreid heeft gemotiveerd. De klacht faalt.

21 Verder wordt geklaagd dat het hof de getuigenverzoeken ten onrechte aan het noodzaakcriterium heeft getoetst en niet aan het verdedigingsbelang. Over deze klacht – die in de schriftuur verder niet wordt uitgewerkt – kan ik kort zijn. Hierbij is van belang dat alle door de verdediging verzochte getuigen al in eerste aanleg ten overstaan van de rechter-commissaris zijn gehoord in het bijzijn van de verdediging. In dat geval kan de oproeping van een getuige op grond van art. 418 lid 2 Sv worden geweigerd indien “het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt”. Het hof heeft dus terecht het noodzaakcriterium toegepast bij de beoordeling van de verzoeken van de verdediging. Voor zover de stellers van het middel uitgaan van de opvatting dat het criterium van verdedigingsbelang had moeten worden toegepast omdat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, faalt de klacht omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.

22 Ook voor zover de stellers van het middel verder menen dat het hof bij de afwijzing van de getuigenverzoeken naar aanleiding van de regiezitting van 9 november 2021 had moeten nagaan “in hoeverre voldaan is aan de eisen van een eerlijk proces”, treft de klacht geen doel. Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM heeft immers betrekking op de strafprocedure als geheel, zodat het hof daarover ten tijde van de afwijzing naar aanleiding van de regiezitting van 9 november 2021 nog geen oordeel hoefde te geven.

23 De vraag die vervolgens nog resteert, is of de afwijzing van de verzoeken tot het horen van de getuigen de toets der begrijpelijkheid kan doorstaan. Bij de beantwoording van die vraag moet het volgende worden vooropgesteld. Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, heeft het hof de verzoeken terecht beoordeeld aan de hand van het noodzaakscriterium. Dat criterium houdt verband met de volledigheid van het onderzoek. De te beantwoorden vraag voor de rechter is of hij het verzochte met het oog op die volledigheid noodzakelijk acht. Een verzoek kan door de rechter worden afgewezen op de grond dat hij zich voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. De feitelijke en/of juridische gronden waarop de afwijzing berust, zal de rechter moeten opnemen. De mate waarin een afwijzing (nader) moet worden gemotiveerd, hangt onder meer af de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren alsmede de aard en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen, terwijl tevens betekenis toekomt aan het procesverloop, waaronder ook het stadium waarin het verzoek is gedaan. De beoordeling van een afwijzende beslissing in cassatie is vervolgens in de kern beperkt tot de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.

24 In de onderhavige zaak heeft het hof het horen van de verzochte getuigen niet noodzakelijk geacht. Aan de afwijzing van de verzoeken is door het hof ten grondslag gelegd dat de thema’s waarover de verdediging de getuigen wenst te ondervragen, reeds in eerdere verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris aan de orde zijn geweest in het bijzijn van de verdediging.

25 De stellers van het middel bestrijden deze motivering en betogen dat het oordeel van het hof dat de thema’s reeds in eerdere verhoren bij de rechter-commissaris aan de orde zijn geweest, onjuist althans onbegrijpelijk is. Zij wijzen erop dat de verdachte pas ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst uitgebreid heeft verklaard over het WOD-traject en dat hij bij die gelegenheid nieuwe informatie heeft gegeven over zijn contacten met de bij het WOD-traject betrokken verbalisanten. Nu de verhoren van deze verbalisanten bij de rechter-commissaris van daarvoor dateren, zijn veel onderwerpen waarover de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard “niet met zoveel woorden aan de orde gekomen in de verhoren van de getuigen”.

26 Noch in het middel, noch in de toelichting wordt gespecificeerd om welke “nieuwe informatie” het de stellers van het middel te doen is. Zij wijzen niet op concrete onderdelen van de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg waarin die nieuwe informatie ten berde zou zijn gebracht. Uit de formulering van het middel – en gelet op de onderbouwing van de verzoeken zoals hiervoor geciteerd – lijkt mij evenwel te kunnen worden afgeleid dat het de stellers van het middel gaat om de verklaringen van de verdachte over “de beloofde investering in het restaurant in Cambodja” en “de reis naar Portugal” als gevolg waarvan hij naar eigen zeggen zou zijn verleid om een ‘broodje aap’-verhaal te vertellen. Uit de verhoren van de bij het WOD-traject betrokken verbalisanten bij de rechter-commissaris in eerste aanleg, die zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden, blijkt dat zij over deze onderwerpen al uitgebreid zijn bevraagd. In die verhoren is ook ingegaan op de vraag of en in hoeverre de verdachte onder druk is gezet en is ook ter sprake gekomen of er toezeggingen of beloftes zijn gedaan aan de verdachte in verband met Cambodja en Portugal. Ter illustratie hiervan kan onder meer op de volgende passages uit de verschillende verhoren bij de rechter-commissaris worden gewezen:

- A-4083:

“Het klopt dat [verdachte] mij een bedrijfsplan heeft gepresenteerd. [verdachte] vroeg of ik wilde investeren. Ze wilden een restaurant starten in Cambodja. Daar was aardig wat geld voor nodig. We hebben het hele verhaal gedownsized. Ik zei: dat geld heb ik niet, dat komt er niet. Uiteindelijk is het restaurant in Cambodja verkocht, toen was dat verhaal uit de lucht. We hebben [verdachte] toen geadviseerd van: doe het later en met veel minder geld. Ze werden door de oude eigenaar van het restaurant aardig onder druk gezet. Ik heb nooit toegezegd 200.000 euro in het restaurant te steken. Dat is inderdaad wel besproken. [verbalisant 2] en ik hebben met [verdachte] besproken dat het veel te duur was en achteraf gezien waren ze ons daar dankbaar voor, dat het niet doorging. Ze zagen toen ook in dat het niet goed was. Ik kon dat geld natuurlijk niet investeren. Dat Cambodja-verhaal is een stille dood gestorven, maar daar waren [verdachte] en [betrokkene 1] wel content mee. Dat verhaal is gedurende het hele jaar nog wel eens boven komen borrelen, omdat ze graag naar Cambodja wilden. Dit was ook in verband met de dochter van [verdachte] , die in Thailand woont, maar er is nadien niet meer gesproken over dit soort bedragen of een investering met ons geld.

[…]

U houdt mij voor dat [verdachte] zegt dat de investering in het restaurant om een bedrag van twee ton ging en dat er 5000 euro voorschot nodig was en vraagt mij wat ik daarover kan vertellen. In onze gesprekken heb ik dit alleen maar gedownsized in opdracht van het begeleidingsteam. Ik zei dan dat het voor [verdachte] en [betrokkene 1] absoluut onhaalbaar was. Wat ik met downsizen bedoel? Ik mocht de indruk of suggestie niet wekken dat ik het restaurant wel zou voorfinancieren of op enig andere manier zou investeren. [verdachte] en [betrokkene 1] werden door de mensen in Cambodja behoorlijk onder druk gezet. Ik zei dat ik de bedragen voor de inventaris te hoog vond, dat het oude rommel was, dat zij daar niet gelukkig mee zouden worden en zich in de schulden zouden steken. Daarna heb ik ze nog verteld dat ik niet over geld kon beschikken en dat dat voorlopig ook niet zou gaan gebeuren. Uiteindelijk viel alles wel op zijn plek voor [verdachte] en [betrokkene 1] , en waren ze daar wel content mee. Uiteindelijk kwam de mededeling dat het restaurant verkocht was en het niet meer hoefde. [verdachte] en [betrokkene 1] gingen dus ook niet meer door met de plannen om het restaurant te kopen of te huren.

Of ik heb gezegd dat ik als financieel coördinator twee ton zou witwassen via het restaurant in Cambodja? Nee. Het zegt me wel wat in die zin dat witwassen in algemene zin wel ter sprake is geweest. Ik heb wel eens gevraagd of voor het restaurant ook zwart geld gebruikt kon worden. [verdachte] gaf aan dat alle financiën welkom waren, en dat het niet allemaal officieel hoefde.

U vraagt mij of ik met [verdachte] heb gesproken over een aanbetaling voor het restaurant. Ja, als u daar de 5.000 euro mee bedoelt, of de 30.000 euro voor de inboedel? Het waren meer gesprekken van de kant van [verdachte] en [betrokkene 1] , want wij hadden de opdracht om dat te downsizen en daar weg van te blijven.

[…]

Ik zou [verdachte] meenemen naar Portugal om vrienden te bezoeken en leuke dingen te doen. Ik ben altijd heel oppervlakkig gebleven over mijn werkzaamheden. Ik was voornamelijk in het buitenland vanwege mijn werk in de offshore sector. Wij hebben niet gesproken over criminele activiteiten in Portugal.

[…]

U vraagt mij welke vrienden er in Portugal ontmoet zouden worden. Dat heb ik niet uitgelegd. Ik zat veel in Portugal, ik had daar vrienden, werk en plezier. Ik heb het nooit expliciet met [verdachte] gehad over welke vrienden er ontmoet zouden worden. Of er een speciale reden was dat ik alleen met [verdachte] zou gaan? Dat was puur uit sociaal oogpunt. We gingen heel vriendelijk met elkaar om. Ik vond het leuk om hem een keer mee te nemen, het had niets met criminele activiteiten te maken.”

- A-4084:

“Wat ik kan vertellen wat er besproken is met [verdachte] en [betrokkene 1] over een restaurant in Cambodja? [verdachte] en [betrokkene 1] wilden daar een restaurant gaan uitbaten. Ze hadden daar op dat moment het geld niet voor. Wij hadden interesse getoond, dat wij mogelijk een investering zouden kunnen doen, als het een goed plan was. Wij hebben echter niet toegezegd of beloofd dat wij dat ook daadwerkelijk zouden doen.

[…]

U houdt mij voor dat mijn begeleiders de opdracht gaven te downsizen, hoe dat moest? Dat weet ik niet precies meer, ik weet ook niet of we dat tot in detail besproken hebben. Mr. Lonterman vraagt welke verwachtingen precies gedwonsized moesten worden. Wij wilden niet dat [verdachte] en [betrokkene 1] er vanuit gingen dat wij in hun restaurant zouden investeren in Cambodja. Het ging inderdaad om de bedragen die [betrokkene 1] zelf had genoemd, van 125.000, 30.000 en 5.000 euro. U vraagt mij hoe het kwam, dat [verdachte] en [betrokkene 1] van die investering zouden uitgaan. Zij waren enthousiast en wij waren dat eerst ook. Wij gingen kijken naar de mogelijkheden voor een eventuele investering, maar wij hebben daarbij geen bedragen genoemd of beloftes gemaakt.”

- A-2784:

“U haalt mijn opdracht aan van 20 maart 2018 en vraagt mij waarom het zo belangrijk was dat [verbalisant 1] zou informeren naar het complex in Cambodja. Ik denk om te weten wat hun ideeën waren, zodat we vervolgscenario’s konden bespreken. Dit bedenk ik nu ter plekke, wat het exact was weet ik niet meer, het is te lang geleden. U vraagt mij hoe ver [verbalisant 1] en [verbalisant 2] mochten gaan met het praten over de investering. Er is over gesproken, maar met de wetenschap dat we daar niet zouden gaan investeren. Volgens mij hadden we bedacht dat we [verdachte] en [betrokkene 1] vooral zouden laten praten, om te zien wat ze wilden, wat hun idee was. Wij gingen niet investeren. Wat de illusie was? Er is over gepraat, daar bleef het bij. Ik weet niet meer wat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] exact mochten zeggen.

Mr. Lonterman vraagt mij in hoeverre [verbalisant 1] en [verbalisant 2] konden meegaan in de gesprekken met [verdachte] en [betrokkene 1] met betrekking tot de bedragen over de investering en of bijvoorbeeld was afgesproken dit af te kappen bij een bepaald geldbedrag. Ik kan mij niet herinneren dat daarover is gesproken. Alleen dat we hen zouden laten praten en dat wij dan zouden zeggen “klinkt interessant”, maar niet meer. Of het een beetje boven de markt kan zijn blijven hangen? Dat kan in het begin zijn gebeurd. Dat is besproken en toen is er gezegd dat er moest worden gedownsized. U vraagt mij hoe [verdachte] aan het idee kan zijn gekomen dat er veel geld door ons kon worden geïnvesteerd. Dat weet ik niet. Dat was niet ons idee. In hoeverre wij daar voeding aan hebben gegeven? Dat weet ik niet meer precies, hoe [verdachte] dat heeft uitgelegd, dat hij zaken met ons kon doen. Ik weet dat er gesproken is over investeren in Cambodja en dat [verdachte] met een hulpvraag kwam. Volgens mij is 5000 euro een bedrag dat [verdachte] zelf wilde betalen, betrof handgeld of iets dergelijks. Toen is door ons gezegd dat hij dat niet moest doen. U zegt dat bij [verdachte] de illusie bestond dat de informanten met 3.000 of zelfs 125.000 over de brug zouden kunnen komen en vraagt of wij daar een beetje in meegegaan zijn. Nee, dat is vooral in het hoofd van [verdachte] gebeurd. Wij hebben wel gebruik gemaakt van het gevoel dat bij [verdachte] leefde. Daarna wilden wij teleurstelling voorkomen en hebben wij het gedownsized.”

- A-2785:

“U houd voor dat [verbalisant 1] aan [verdachte] vroeg om het paspoort voor een trip naar Portugal. [verdachte] en [verbalisant 1] zouden samen naar Portugal gaan, maar dat is niet doorgegaan. U vraagt mij of de trip een illusie was of dat het echt door zou gaan. Illusie, we denken meestal een paar stappen vooruit. Dit haakje is door [verdachte] zelf gegeven, omdat hij affiniteit met boten had. Dat is waar gemeenschappelijke interesses elkaar vinden. Wat voor trip het zou zijn? [verdachte] zou mogelijk een functie als kok op een boot kunnen krijgen. U houdt mij voor dat de illusie bij [verdachte] gewekt was dat er vals geld mee zou kunnen gaan tijdens het reizen met de boot. Dat kan, daar durf ik niet volmondig ja of nee op te zeggen.”

27 Tegen de achtergrond van de verhoren bij de rechter-commissaris, zie ik niet in waarom de verklaringen van de verdachte over de beloofde investering in het restaurant in Cambodja en de reis naar Portugal “nieuwe informatie” zouden opleveren die een nieuw verhoor van de getuigen zouden rechtvaardigen. Het oordeel van het hof dat de thema’s reeds in eerdere verhoren bij de rechter-commissaris aan de orde zijn geweest, is in zoverre niet onjuist of onbegrijpelijk.

28 Ook overigens acht ik de afwijzing van de verzoeken door het hof niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd. Hierbij neem ik in aanmerking dat de verdediging ter onderbouwing van de verzoeken – zoals het hof terecht heeft overwogen – wijst op elementen van het WOD-traject waarover de verzochte getuigen reeds uitgebreid zijn gehoord door de rechter-commissaris in eerste aanleg. Dat het hof de door de verdediging gesignaleerde innerlijke tegenstrijdigheden en inconsistenties in de verklaringen van de verbalisanten enerzijds en de strijdigheid van die verklaringen met de verklaringen van de verdachte anderzijds kennelijk niet van dien aard acht dat het daardoor – in het licht van de volledigheid van het onderzoek – noodzakelijk is om deze verbalisanten opnieuw te horen, acht ik eveneens niet onbegrijpelijk.

29 De innerlijke tegenstrijdigheden en inconsistenties in de verklaringen van de verbalisanten zijn naar mijn oordeel van geringe betekenis. Voor zover in de onderbouwing van de verzoeken wordt gewezen op de strijdigheid tussen de verklaringen van de verbalisanten en de verklaringen van de verdachte, merk ik op dat niet elke tegenstrijdigheid reden vormt voor een nieuw verhoor van een getuige. De rechter ziet zich immers vaker geconfronteerd met getuigenverklaringen die een andere kant op wijzen dan de verklaring van een verdachte en moet in staat worden geacht om waarde toe te kennen aan die verschillen en daarmee in zijn oordeel rekening te houden. In dit verband is bovendien van belang dat meerdere kernonderdelen van de later ter terechtzitting in eerste aanleg gegeven verklaring van de verdachte – bijvoorbeeld over zijn structurele harddrugsgebruik, de investering van € 200.000 die zou zijn beloofd in het restaurant in Cambodja en de baan die hem bij de reis naar Portugal door ‘ [verbalisant 1] ’ in het vooruitzicht zou zijn gesteld – reeds in de verhoren van de verbalisanten bij de rechter-commissaris ter sprake zijn gekomen.

30 Aldus is de afwijzing van de verzoeken tot het horen van de bij het WOD-traject betrokken verbalisanten op 12 november 2021 niet onbegrijpelijk. Die afwijzing is ook toereikend gemotiveerd.

De afwijzing bij arrest van 20 juli 2022

31 Het middel klaagt vervolgens over de afwijzing door het hof bij arrest van 20 juli 2022 van de voorwaardelijke verzoeken tot het horen van de bij het WOD-traject betrokken verbalisanten.

32 De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 21 juni 2022 volgens de bij die gelegenheid overgelegde pleitnotities opnieuw (maar nu voorwaardelijk) verzocht tot het horen van bij het WOD-traject betrokken verbalisanten als getuigen. De onderbouwing in deze pleitnotities komt nagenoeg woordelijk overeen met de onderbouwing die in de hiervoor onder 12 geciteerde bijlage van het e-mailbericht voorafgaand aan de regiezitting van 9 november 2021 door de raadsman werd gegeven. Het hof heeft deze voorwaardelijke verzoeken van de verdediging (samen met het nog bij het tweede middel te bespreken verzoek) in zijn bestreden arrest als volgt samengevat en afgewezen:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende, hiervoor nog niet besproken, voorwaardelijke verzoeken gedaan:

i) indien het hof de bekennende verklaringen van de verdachte voor het bewijs wil bezigen, dan verzoekt de verdediging A-4083 (‘ [verbalisant 1] ’), A-4084 (‘ [verbalisant 2] ’), B-2784, B-2785 en – naar het hof begrijpt – B-2844 nogmaals als getuige te (doen) horen, alsmede prof. dr. E.G.C. Rassin als deskundige te benoemen;

[…]

Het hof overweegt als volgt.

Ad i)

Het hof constateert dat A-4083, A-4084, B-2784, B-2785 en B-2844 in aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord bij de rechter-commissaris en dat tijdens die verhoren de kwesties aan de orde zijn geweest waarover de verdediging deze getuigen thans (opnieuw) wenst te bevragen. Gelet op de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gegeven onderbouwing van de onder i) geformuleerde verzoeken, ziet het hof geen aanleiding om terug te komen op de ten aanzien hiervan op 12 november 2021 reeds gegeven beslissing van het hof, terwijl ook overigens de noodzaak tot het opnieuw horen van de genoemde getuigen dan wel het benoemen van de genoemde deskundige, niet is gebleken. De verzoeken worden daarom afgewezen.”

33 Over de klacht over de begrijpelijkheid van de motivering van deze afwijzing kan ik kort zijn. Zoals ik al heb aangegeven, komt de onderbouwing van de voorwaardelijke verzoeken in de pleitnotities van 21 juni 2022 nagenoeg woordelijk overeen met de onderbouwing die in de hiervoor onder 12 geciteerde bijlage van het e-mailbericht voorafgaand aan de regiezitting van 9 november 2021 door de raadsman werd gegeven. In ieder geval worden in de op 21 juni 2022 overlegde pleitnotities geen nieuwe argumenten aangedragen waarom het opnieuw horen van de bij het WOD-traject betrokken verbalisanten noodzakelijk zou zijn. Daarom acht ik het oordeel van het hof dat er – gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven onderbouwing van de verzoeken – geen aanleiding is om terug te komen op de op 12 november 2021 gegeven beslissing niet onbegrijpelijk.

Slotsom

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

34 Het middel klaagt over de afwijzing van verschillende verzoeken van de verdediging met betrekking tot de deskundige Rassin.

35 Voordat ik het middel inhoudelijk bespreek, vat ik het voor dit middel relevante procesverloop samen. De verzoeken van de verdediging tot het laten opmaken van een rapportage door de deskundige Rassin over (1) de vraag of de belastende uitlatingen van de verdachte in het WOD-traject betrouwbaar zijn, (2) de betrouwbaarheid van de toegepaste (Mr. Big-)methodiek en (3) de suggestibiliteit en meegaandheid van de verdachte tijdens de WOD-gesprekken en de kans op een valse bekentenis zijn op de regiezitting van 9 november 2021 besproken. Deze verzoeken zijn ter terechtzitting van 12 november 2021 door het hof afgewezen. Vervolgens heeft de raadsman op 21 juni 2022 bij pleidooi een (voorwaardelijk) verzoek gedaan tot het benoemen van deskundige Rassin. Dat verzoek heeft het hof bij arrest van 20 juli 2022 afgewezen. Uit de opbouw van het middel blijkt dat de stellers van het middel zich zowel richten tegen de afwijzing ter terechtzitting van 12 november 2021 als tegen de afwijzing bij arrest van 20 juli 2022.

De afwijzing ter terechtzitting van 12 november 2021

36 Het middel klaagt allereerst over de afwijzing door het hof ter terechtzitting van 12 november 2021 van de verzoeken tot het laten opmaken van een rapportage door de deskundige Rassin over (1) de vraag of de belastende uitlatingen van de verdachte in het WOD-traject betrouwbaar zijn, (2) de betrouwbaarheid van de toegepaste (Mr. Big-)methodiek en (3) de suggestibiliteit en meegaandheid van de verdachte tijdens de WOD-gesprekken en de kans op een valse bekentenis.

37 Net zoals ik bij de bespreking van het eerste middel opmerkte, geldt ook hier dat een belangrijk deel van de onderbouwing van de verzoeken is opgenomen in de bijlage van een e-mailbericht van de raadsman van de verdachte van 29 oktober 2021 aan het hof. Om dezelfde redenen als die ik hiervoor onder 11 gaf, meen ik dat deze onderbouwing in cassatie van belang is.

38 De bijlage bij het e-mailbericht van 29 oktober 2021 houdt – voor zover hier van belang – het volgende in (de voetnoten heb ik weggelaten):

“Verzoek I: Rapport deskundige prof. dr. E.G.C. Rassin De verdediging verzoekt u om prof. dr. Rassin, bijzonder hoogleraar rechtspsychologie, de opdracht te geven om de procespartijen voor te lichten en psychologisch onderzoek bij cliënt te doen over de vraag of de uitlatingen van cliënt van onder andere vrijdag 21 en donderdag 27 september 2018, dinsdag 16 oktober 2018 en 24 januari 2019 in vrijheid zijn afgelegd en of deze – voor zover de deskundige zich daarover kan uitlaten – al dan niet betrouwbaar kunnen worden geacht.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 maart 2021 in de onderhavige zaak vastgesteld dat de wijze waarop in deze zaak uitvoering is gegeven aan de stelselmatige informatie inwinning, zij het met enige variatie, in essentie is aan te merken als de toepassing van de “Mr. Big-methode.” De vaststelling dat er in deze zaak gebruik is gemaakt van de "Mr. Big-methode'' is van belang omdat prof. dr. Rassin deskundig is op het gebied van deze methode.

De heef prof. dr. Rassin is door het Hof Den Haag ook benoemd als deskundige in de ‘Posbankzaak’ en in de zaak ‘Kaatsheuvel’ met betrekking tot het beoordelen van de betrouwbaarheid van de door de verdachte geuite verklaringen.

Ook in die zaken was sprake van stelselmatige informatie inwinning middels de “Mr. Big-methode.”

Vergaande misleiding

De rechtbank heeft in de zaak van cliënt bij vonnis vastgesteld dat in het WOD-traject sprake is geweest van vergaande misleiding.

Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat het gesprek van 24 januari 2019, tussen cliënt en politioneel informant [verbalisant 1] , van het bewijs moest worden uitgesloten omdat dit gesprek in strijd met de verklaringsvrijheid van cliënt heeft plaatsgevonden. Hiermee is volgens de rechtbank een inbreuk gemaakt op de rechten van cliënt zoals is neergelegd in artikel 29, eerste lid Sv en artikel 6 EVRM. In dat gesprek van 24 januari 2019 is naar het oordeel van de rechtbank op ongeoorloofde wijze druk uitgeofend op cliënt, waardoor hij feitelijk in een verhoorsituatie is geplaatst waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris ontbreken.

Bij de inzet van het WOD-traject in de onderhavige strafzaak is volgens de rechtbank dus sprake geweest van vergaande misleiding van cliënt en is er inbreuk gemaakt op fundamentele rechten.

Middels bestudering van de stukken, geluidsopnames van de OVC-gesprekken tussen politioneel informant [verbalisant 1] en cliënt en middels psychologisch onderzoek kan prof. dr. Rassin toetsen of de uitlatingen van cliënt van onder andere vrijdag 21 en donderdag 27 september 2018, dinsdag 16 oktober 2018 en 24 januari 2019 in vrijheid zijn afgelegd en of deze – voor zover de deskundige zich daarover kan uitlaten – al dan niet betrouwbaar kunnen worden geacht.

Verklaringen [verdachte]

De verdediging zal nu enkele passages uit de schriftelijke verklaring van cliënt aanhalen welke hij heeft voorgedragen op de pro-forma zitting van 6 juni 2019 waaruit blijkt dat hij zich op het standpunt stelt dat hij verzonnen verhalen heeft verteld aan politioneel informant [verbalisant 1] :

- “Ik hoorde dat [slachtoffer] met de noorderzon was vertrokken of dood was en dat [betrokkene 3] daar achter zou zitten. Daar heb ik toen bij undercoveragent [verbalisant 1] mijn eigen draai aan gegeven met als resultaat dat broodje aap verhaal waarbij ik [slachtoffer] om het leven zou hebben gebracht. Dat kon ik makkelijk tegen undercover [verbalisant 1] zeggen want hij zou het zogenaamde bewijs toch wegpoetsen.”

-“Ik werkte voor [verbalisant 1] en ik beschermde hem dan. Ik moest voor zijn veiligheid zorgen als hij in de problemen zou komen of verdachte dingen zag. Hij kwam met een verhaal over Portugal waarbij ik vals geld kon gaan vervoeren met een boot. Ik zou dan bakken met geld gaan verdienen. [verbalisant 1] gaf mij de indruk dat ik dan wel een keiharde bikkel moest zijn als ik die baan wilde. [verbalisant 1] overdreef en ik overdreef! Zijn stoerdoenerij werd steeds groter en die van mij ook. Wij waren tegen elkaar aan het opbieden met stoere verhalen en we tasten elkaar af hoever we konden gaan. Ik heb hem dat broodjeaapverhaal over [slachtoffer] op de mouw gespeld want daarmee zou ik dan indruk op hem kunnen maken zodat ik dat grote geld kon gaan verdienen.”

- “Ik ben mijn hele leven al iemand geweest die dingen verzint en groter maakt dan ze zijn. Dat kunnen de mensen die mij kennen allemaal bevestigen. [verbalisant 1] en zijn mensen deden stoer en ik deed stoer. Ik zag er eerst geen kwaad in om [verbalisant 1] dat broodje aapverhaal over [slachtoffer] te vertellen want het was toch onzin en het voordeel was dat [verbalisant 1] daardoor mij wilde hebben in zijn organisatie.”

In zijn schriftelijke verklaring bij de rechter-commissaris, welke aan de rechter-commissaris is overhandigd op 6 februari 2020, verklaart cliënt het volgende:

-“Ik kwam in een schijnwereld terecht die de undercoveragenten voor mij hadden gemaakt. Een wereld waarbij ik verleid werd en ook onder druk gezet werd om dingen voor undercover agent [verbalisant 1] en zijn gewelddadige criminele organisatie te doen. Ik kwam in een soort trechter terecht waar ik niet meer uit kon. Ik voelde me daardoor niet meer vrij om de verzonnen uitspraken over [slachtoffer] die ik had gedaan tegenover hem en zijn gewelddadige criminele vrienden terug te trekken omdat undercover agent [verbalisant 1] me anders niet meer voor vol zou aanzien en de gevolgen dan zouden zijn dat hij me anders geen geld meer zou laten verdienen. Als undercoveragent [verbalisant 1] me weer eens ging uithoren kon ik na een tijd niet meer toegeven dat ik alles verzonnen had omdat ik dan van het voetstuk zou vallen waarop hij me had geplaatst. Ik voelde druk doordat ik en [betrokkene 1] te weinig geld hadden om te overleven en undercover agent [verbalisant 1] ons daaruit zou kunnen redden. Ik voelde druk door mijn verslaving aan drank en cocaïne en ik had het geld van undercoveragent [verbalisant 1] nodig om mijn verslaving te kunnen betalen. Ook voelde ik druk omdat ik indruk op undercoveragent [verbalisant 1] en zijn criminele organisatie moest blijven maken zodat hij mij klussen zou geven waardoor ik geld zou kunnen verdienen en ik ook mijn dochter zou kunnen bezoeken en financieel zou kunnen ondersteunen. Als ik door de undercoveragenten niet in die mr. Big schijnwereld was getrokken en undercoveragent [verbalisant 1] en de andere undercoveragenten mij niet zo hadden verhoord had ik die verzonnen uitspraken over [slachtoffer] ook nooit gedaan.”

-“Ik ben nooit met [slachtoffer] in een loods op [plaats] geweest of überhaupt met hem op [plaats] of ergens anders in een loods. Ik heb hem niet vermoord en ik weet ook niet waar hij is en weet ook niet of hij wel of niet leeft. Ik heb hem dus niet doodgeschoten en ik heb hem ook niet met een voorwerp geslagen. Voor de duidelijkheid: Ik ben niet aanwezig geweest bij een mogelijke moord op [slachtoffer] . Ik ben dus ook niet met [betrokkene 4] bij een loods bij [plaats] geweest met [slachtoffer] . En dat [betrokkene 4] erbij betrokken was heb ik dus ook verzonnen. Ik heb ook geen telefoon van [slachtoffer] afgenomen of geld in wat voor valuta dan ook. Ik heb hem ook niet begraven of in een shredder gegooid. Dat heb ik alleen maar aan undercoveragent [verbalisant 1] verteld om mezelf zo groot en gevaarlijk voor te doen zodat hij me zou betrekken bij het verdienen van veel geld. En om die redenen die ik al eerder heb verteld in deze verklaring.”

De bovenstaande passages uit de schriftelijke verklaringen van cliënt geven helder inzicht over de wijze waarop cliënt het WOD-traject heeft ervaren en maken tevens duidelijk dat hij zich op het standpunt stelt dat hij tijdens het undercovertraject uitlatingen heeft gedaan die niet conform de waarheid zijn.

Ook op grond van de mondelinge verklaringen die cliënt tijdens de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 heeft afgelegd, acht de verdediging het noodzakelijk dat prof. dr. Rassin zich uitlaat over de betrouwbaarheid van de door cliënt geuite verklaringen. Cliënt heeft op de inhoudelijke behandeling het volgende verklaard:

‘Dat ik mensen kende die op zoek waren naar een manier om geld en staafjes naar Engeland te vervoeren, was door mij verzonnen. Ik wilde indruk maken op [verbalisant 1] en had bedacht het over goudstaven te hebben omdat [verbalisant 1] in het valse geld zat.’

Ook verklaarde hij ter zitting:

‘Ik kan mij herinneren dat [verbalisant 3] grote verhalen had over het vluchten en dat ik daarop heb gereageerd door hem te overtreffen. Ik deed dit om in een goed daglicht te komen bij [verbalisant 1] . U houdt mij voor dat [verbalisant 1] op dat moment niet in de auto zat. Nee, maar dat [verbalisant 3] over mij tegen [verbalisant 1] zou zeggen dat het niet niets was wat [verbalisant 1] in zijn auto had zitten. Ik wilde laten weten dat ik iets kon betekenen. Ik wilde mij laten zien. Ik wilde niet onder doen voor [verbalisant 3] .

Verder verklaarde cliënt op de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 op de vraag van de rechter wat cliënt eigenlijk wist van [slachtoffer] : “Ik dacht aan [slachtoffer] , grote crimineel, weg, daar kon ik wel een verhaaltje van maken”.

Voorts verklaarde hij ter zitting:

‘Of ik mij kan herinneren dat [verbalisant 1] op 27 september 2018 terugkwam op wat ik aan [verbalisant 3] had verteld? Ja. [verbalisant 1] wilde er het fijne van weten. Het ging om eerlijkheid en anders zou ik niet voor [verbalisant 1] kunnen werken. [verbalisant 1] gaf aan dat [verbalisant 3] geen punten had gescoord met wat hij had gedaan. Vervolgens heb ik mijn trukendoos opengegooid. Wat ik Hiermee bedoel? Da tik toen één bizar verhaal heb opgehangen. Ik dacht; ik moet een zo groot en gruwelijk mogelijk verhaal ophangen. Ik moet [verbalisant 1] duidelijk maken dat ik over lijken zou gaan, dat ik mijn mannetje stond en niet bang was.’

‘Of ik met details kwam om het verhaal betrouwbaar te maken voor undercoveragent [verbalisant 1] ? Ja, om mijn verhaal te voeden. Het was allemaal grootspraak om indruk op hem te maken. Waarom ik dit nodig had? Ik wilde zo gevaarlijk mogelijk overkomen.’

Ook de bovenstaande passages uit de mondelinge verklaringen van cliënt op de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 geven helder inzicht over de wijze waarop cliënt het WOD-traject heeft ervaren en maken tevens duidelijk dat hij zich op het standpunt stelt dat hij tijdens het undercovertraject uitlatingen heeft gedaan die niet conform de waarheid zijn.

Ook gezien de recente toewijzing van deskundige prof. dr. Rassin door het Hof Den Haag in de ‘Posbankzaak’ en in de zaak ‘Kaatsheuvel’ met betrekking tot het beoordelen van de betrouwbaarheid van de door de verdachte geuite verklaringen verzoekt de verdediging u om ook dit verzoek te honoreren.

Verzoek II

Verder verzoekt de verdediging u getuige-deskundige Rassin te laten rapporteren over suggestibiliteit, te weten gevoeligheid bij cliënt voor ervaren (psychische)druk tijdens een ondervraging en/of meegaandheid van cliënt gedurende de gesprekken tussen cliënt en de politioneel informanten en hem te laten rapporteren over de kans op het afleggen van een valse bekentenis.

Gezien het juridisch kader dat de Hoge Raad heeft gecreëerd in de Posbankzaak acht de verdediging onderstaande gestelde rechtsregels uit dit arrest van belang:

‘Voor de beoordeling of de verklaringsvrijheid is aangetast, is volgens de Hoge Raad in de Posbankzaak in het bijzonder van belang het verloop van het opsporingstraject, de eventueel reeds door verdachte ingenomen proceshouding met betrekking tot strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, de mate van (psychische) druk die in dat traject op verdachte is uitgeoefend, de mate en wijze van binnen dat traject toegepaste misleiding van de verdachte en de bemoeienis die opsporingsambtenaren hebben gehad met inhoud van (wezenlijke onderdelen van) door de verdachte afgelegde verklaring. Bij deze beoordeling is volgens de Hoge Raad voorts van belang de duur en intensiteit van dat traject, strekking en frequentie van contacten met verdachte zelf en in het vooruitzicht gestelde consequenties als verdachte wel of juist geen opheldering geeft over bepaalde zaken. De Hoge Raad geeft aan dat dat de feitenrechter bij de beoordeling, naast het feitelijke optreden van de opsporingsambtenaren jegens de verdachte, tevens acht dient te slaan op de wettelijke grondslag waarop het optreden van opsporingsambtenaren heeft plaatsgevonden, en in het geval dat optreden is gebaseerd op een bevel tot stelselmatig inwinnen van informatie als bedoeld in art. 126j van het Wetboek van Strafvordering, in het bijzonder op inhoud van dat bevel waar het gaat om wijze waarop aan dat bevel uitvoering wordt gegeven, alsmede de eventueel nader aan dat bevel verbonden voorwaarden die verband houden met het verkrijgen van een verklaring van de verdachte. Teneinde de rechter in staat te stellen een en ander te kunnen beoordelen, is het volgens de Hoge Raad van groot belang dat hij inzicht heeft in het concrete verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode en interactie met de verdachte die daarbij heeft plaatsgevonden.’

De verdediging kan zich goed voorstellen dat een deskundige een bijdrage kan leveren aan de vraag of de uitlatingen van cliënt tegenover politioneel informant [verbalisant 1] in vrijheid zijn afgelegd en of hij mogelijk (psychische) druk heeft ervaren tijdens de ondervragingen of dat zijn verklaringen mogelijk gecontamineerd zijn door externe invloeden zoals de undercoveragenten in kwestie.

Ook gezien de verklaringen van cliënt op de inhoudelijke behandeling van 8 december 2020 acht de verdediging het noodzakelijk dat prof. dr. Rassin zich buigt over de vraag of er een vorm van (psychische) druk heeft plaats gevonden tijdens de inzet. Cliënt verklaart tijdens de inhoudelijke behandeling van 8 december dat hij bang was voor A-4083 vanwege zijn verbale intimiderende gedrag ten opzichte van zijn ondergeschikten in de criminele organisatie.

Gezien de recente toewijzing van deskundige prof. dr. Rassin door het Hof Den Haag in de Posbankzaak met betrekking tot het beoordelen van de suggestibiliteit, te weten gevoeligheid bij cliënt voor ervaren (psychische)druk tijdens een ondervraging en/of meegaandheid van cliënt gedurende de gesprekken tussen cliënt en de politioneel informanten, verzoekt de verdediging om ook dit verzoek te honoreren.

Verzoek III

De verdediging verzoekt u rechtspsycholoog prof. dr. E.G.C. Rassin als getuige-deskundige te benoemen zodat hij onderzoek kan doen naar de betrouwbaarheid van de in de onderhavige zaak door het WOD-team op cliënt toegepaste methodiek.

Gezien het juridisch kader dat de Hoge Raad heeft gecreëerd in de Poppenspelmethodezaak verwijst de verdediging naar jurisprudentie over de betrouwbaarheid van de Poppenspelmethode om daarmee duidelijk te maken dat het onderzoek van een deskundige van belang kan zijn voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van uitlatingen.

In de desbetreffende zaak stond het gebruik van de ‘poppenspelmethode’ centraal waarbij een orthopedagoge in gesprekken met de vermeende slachtoffers vroeg wat je met de geslachtsdelen van zo’n pop kon doen waarna de kinderen (seksuele) handelingen simuleerden met behulp van de poppen.

Op basis van de verklaringen van de vermeende slachtoffers (kinderen) bij de orthopedagoge met behulp van die poppenspelmethode werden de vaders van de vermeende slachtoffers aangemerkt als verdachten en vervolgd voor seksueel misbruik.

Een deskundige in deze zaak stelde vast dat bij het gebruiken van de bewuste poppen (poppenspelmethode) een veel te sterke suggestie uitgaat waardoor het gebeurde in de richting van seksualiteit vertekend kan worden.

Zonder de bemoeienis van deskundigen waren de gebreken van de omstreden poppenspelmethode nimmer aan het licht gekomen en waren onschuldige verdachten wellicht ten onrechte veroordeeld.

De verdediging acht het derhalve van belang dat een deskundige (wetende prof. dr. Rassin) zich ook zal uitlaten over de mr. Big/WOD methode welke is gehanteerd in de zaak van cliënt. Door inzicht te krijgen in de methode kan de deskundige prof. dr. Rassin in kwestie voorgaande onderzoeksvragen (onder I en II) met betrekking tot de betrouwbaarheid van verklaringen en suggestibiliteit van verdachte nader duiden.”

39 Het hof heeft de verzoeken van de verdediging ter terechtzitting van 12 november 2021 afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“Het hof wijst af het verzoek van de verdediging tot het opmaken van een rapportage door prof. dr. Rassin betreffende een psychologisch onderzoek naar de vraag of de belastende uitlatingen van de verdachte in het WOD-traject betrouwbaar zijn. De beoordeling van de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen is voorbehouden aan het hof. Het hof acht het verzochte dan ook niet noodzakelijk, terwijl ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Het hof wijst af het verzoek van de verdediging tot het opmaken van een rapportage door prof. dr. Rassin betreffende een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de toegepaste (Mr. Big-) methodiek. De beoordeling van de vraag naar de betrouwbaarheid van de toegepaste opsporingsmethodiek is voorbehouden aan het hof. Het hof acht het verzochte dan ook niet noodzakelijk, terwijl ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Het hof wijst af het verzoek van de verdediging tot het opmaken van een rapportage door prof. dr. Rassin betreffende een psychologisch onderzoek naar de suggestibiliteit en meegaandheid van de verdachte tijdens de WOD-gesprekken en de kans op een valse bekentenis. De enkele verklaring van de verdachte waarin hij stelt druk te hebben ervaren in het contact met undercoveragent A-4083 ( [verbalisant 1] ), biedt, zonder nadere precisering van zijn stelling, onvoldoende basis voor het laten opmaken van voormelde rapportage. Het hof acht het verzochte dan ook niet noodzakelijk, terwijl ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken.”

40 De schriftuur bevat ter onderbouwing van de klachten over de afwijzing ter terechtzitting van 12 november 2021 – van pagina 59 tot en met 66 – citaten uit allerhande processtukken. Vervolgens komt de schriftuur ter onderbouwing van de klacht over de afwijzing van de verzoeken steeds niet verder dan dat die afwijzing en de daaraan door het hof ten grondslag gelegde argumenten als volgt moeten worden getypeerd:

“niet zonder meer begrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed gelet op hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek alsmede in het licht van het vrijsprekende vonnis van de rechtbank, omwille van het feit dat de rechtbank niet volledig kon beoordelen of uitsluiten dat verdachte door misleiding en/of beloftes van de undercoveragenten, dan wel als gevolg van deze afhankelijkheidsrelatie tot de undercoveragenten, is beperkt in zijn verklaringsvrijheid waarbij in ieder geval is vast komen te staan dat op 24 januari 2019 ontoelaatbare druk is uitgeoefend op de verdachte door hem feitelijk in een verhoorsituatie te plaatsen.”

41 De cassatierechter kan alleen ‘middelen van cassatie’ beoordelen zoals bedoeld in art. 437 Sv. Een cassatiemiddel moet een stellige en duidelijke klacht bevatten over de schending van een rechtsregel of het verzuim van een vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Daarom moet zijn aangegeven waartegen het cassatiemiddel is gericht en op welke gronden het steunt. Er kan dus niet worden volstaan met een herhaling van stellingen en verweren waarop het hof gemotiveerd heeft beslist, zonder dat wordt aangegeven “waarom de door het Hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn”. Een ‘zoekplaatje’, waarbij de Hoge Raad zelf op zoek moet naar de bronnen waarop de klacht is gebaseerd, is geen cassatiemiddel.

42 Dat laatste is bij deze klachten een probleem. In de schriftuur wordt met betrekking tot de drie onderdelen steeds slechts verwezen naar “hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek” en “het vrijsprekende vonnis van de rechtbank”. Daarbij wordt op geen enkele manier gespecificeerd op welke bronnen deze klachten zijn gebaseerd en waarom de beslissingen van het hof op dit punt juridisch niet door de beugel kunnen. De klachten zijn daarom niet te beoordelen en moeten onbesproken blijven.

43 De klachten over de afwijzing van de verzoeken met betrekking tot de deskundige Rassin ter terechtzitting van 12 november 2021 kunnen niet tot cassatie leiden.

De afwijzing bij arrest van 20 juli 2022

44 Het middel richt zich vervolgens tegen de afwijzing van het bij pleidooi gedane voorwaardelijke verzoek met betrekking tot de deskundige Rassin. Dat verzoek heeft het hof begrepen als een verzoek tot het benoemen van een deskundige. Net als de ter terechtzitting van 12 november 2021 door het hof afgewezen verzoeken, is het uiteindelijke doel van het voorwaardelijke verzoek tot het benoemen van de deskundige Rassin het laten opmaken van een rapportage over (1) de vraag of de belastende uitlatingen van de verdachte in het WOD-traject betrouwbaar zijn, (2) de betrouwbaarheid van de toegepaste (Mr. Big-)methodiek en (3) de suggestibiliteit en meegaandheid van de verdachte tijdens de WOD-gesprekken en de kans op een valse bekentenis. De stellers van het middel voeren aan dat de verdediging uitdrukkelijk en uitvoerig heeft aangevoerd waarom de deskundige had moeten worden benoemd, namelijk – kort samengevat – omdat hij eerder een rapport heeft geschreven over de risico’s van de ‘Mr. Big’-methode en omdat hij iets zou kunnen zeggen over (de betrouwbaarheid van) de toegepaste methode en de door de verdachte afgelegde verklaringen. Verder wordt erop gewezen dat door de verdediging expliciet is aangevoerd dat de zittingsrechter er blijk van dient te geven dat hij zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaringen heeft onderzocht en op het feit dat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Het bovenstaande zou te meer klemmen omdat een omstreden onderzoeksmethode is gebruikt waarbij ook nog eens de verslaglegging van het traject gebreken vertoont.

45 De ter terechtzitting van 21 juni 2022 overgelegde pleitnotities houden over het voorwaardelijke verzoek tot het benoemen van de deskundige Rassin het volgende in (de voetnoten heb ik weggelaten):

“Voorwaardelijk getuigenverzoek prof. dr. E.C.G. Rassin

Indien uw Hof de verklaringen welke cliënt tegenover undercover [verbalisant 1] heeft afgelegd op 27 september 2018, 16 oktober 2018 en 24 januari 2019 bezigen voor het bewijs dan doet de verdediging hierbij een voorwaardelijk getuigenverzoek om prof. dr. E.C.G. Rassin te benoemen als deskundige.

In de moordzaak Kaatsheuvel waarin de mr. Big methode is ingezet op [betrokkene 5] is prof. dr. E.C.G. Rassin benoemd als deskundige. De verdediging houdt uw Hof de passage van het arrest van het Hof Den Haag m.b.t. prof. Rassin voor omdat ook in de zaak van [betrokkene 5] de mr. Big methode is ingezet en bepaalde bevindingen van prof.dr. E.C.G. Rassin in algemene zin gaan over de gevaren van de mr. Big methode.

‘Tenslotte heeft het hof prof.dr. E.C.G. Rassin (verder te noemen Rassin), rechtspsycholoog, als deskundige doen benoemen door de raadsheer-commissaris teneinde het hof voor te lichten over de vraag of de verklaringen van de verdachte op 18 september 2014 en op de daarop volgende dagen in vrijheid zijn afgelegd en of deze - voor zover de deskundige zich daarover kan uitlaten - al dan niet betrouwbaar kunnen worden geacht. Rassin heeft bij rapport van 18 december 2020 aan het hof gerapporteerd.

Rassin heeft de door [betrokkene 5] in Marbella afgelegde bekentenis getoetst aan onderzoek van de Amerikaanse rechtspsychologe Melissa B. Russano. Zij publiceerde in juli 2005 in Psychological Science over een experiment bij 296 studenten. Ze moesten in groepen taken uitvoeren waarbij het was verboden om samen te werken. Er werden zowel bij de studenten die de regel hadden overtreden als zij die dat niet hadden gedaan door heel boos kijkende professoren vier verschillende ondervragingstechnieken uitgetest met dit resultaat:

De tabel van Russano.

Als de professor, of de politie, een verdachte zonder verder tactisch plan vraagt of hij/zij/hen het heeft gedaan, krijg je 46 procent echte bekentenissen en 6 procent valse, zo leidt Russano af uit haar experiment. Wordt de verdachte een deal voorgehouden (‘als je bekent, word je minder hardt gestraft’), dan stijgt het aantal echte bekentenissen naar 72 procent en het aantal valse naar 14 procent. Minimalisatie (‘voor iets als dit riskeer je natuurlijk geen straf’) doet de kans op een echte bekentenis verder stijgen naar 81 procent en het risico op een valse naar 18 procent. Als de politie tijdens het verhoor én de ernst van het misdrijf minimaliseert én de verdachte een deal voorstelt, wordt de kans op een echte bekentenis 87 procent en 43 procent risico op een valse bekentenis.

Hij heeft in zijn rapport opgemerkt het begrip “verklaringsvrijheid” niet uit de psychologische literatuur te kennen, maar wel iets te kunnen zeggen over de kans op het afleggen van een valse bekentenis. Vervolgens heeft hij beschreven dat een opsporingsmethode zoals de mr. Big-methode een substantieel risico op een valse bekentenis impliceert, alleen al vanwege het in de waan brengen van de verdachte dat een bekentenis hem enig voordeel zal opleveren. De combinatie van het doen van een belofte (verdachte krijgt de door hem gewilde baan) en het minimaliseren van de ernst van een feit (het maakt ons niet uit als hij het gedaan heeft en we regelen iemand die er voor opdraait), zoals gedaan door de undercoveragenten, geeft een kans op een terechte bekentenis van 87% en een kans op een valse bekentenis op 43%, aldus Rassin. Hij heeft ten behoeve van de rapportage psychologisch onderzoek uitgevoerd bij de verdachte. Zijn conclusie is dat de verdachte hoog scoort op twee risicofactoren voor het afleggen van een valse bekentenis. Dat betekent dat als de verdachte enige druk ervaart om iets te zeggen en/of denkt goed voor de dag te komen door iets te zeggen dat niet strookt met de werkelijkheid, hij dat naar verwachting zal doen. Hij concludeert voorts dat de kans best groot (43%) is dat een onschuldige verdachte een bekentenis zou afleggen indien geplaatst in de positie waarin de verdachte verkeerde op 18 september 2014 en dat de bewijskracht van de bekentenis gering is.

Ter terechtzitting van het hof is Rassin als deskundige gehoord. Hij heeft verklaard dat het aannemelijk is dat de mr. Big-methode een extra risico op een valse bekentenis oplevert. Dit risico komt bovenop de twee in het rapport genoemde “trucs” van de politie – het minimaliseren van de ernst en het bieden van een beloning. In het mr. Big-traject is bovendien aan de verdachte het gevoel gegeven ergens bij te horen. De deskundige vermoedt dat het percentage van 43% (kans op een valse bekentenis) hoger wordt naarmate meer wordt losgelaten op de verdachte dan alleen de deal en de minimalisatie. Ook het winnen van het vertrouwen van de verdachte in de voorfase van het mr. Big-traject lijkt volgens Rassin dit percentage te verhogen.’

De verdediging houdt uw Hof deze passage voor omdat ook in de zaak van [betrokkene 5] de mr. Big methode is ingezet en bepaalde bevindingen van prof.dr. E.C.G. Rassin in algemene zin gaan over de gevaren van de mr. Big methode.

I) De verdediging verzoekt u om rechtspsycholoog prof. dr. Rassin de opdracht te geven om de procespartijen voor te lichten en onderzoek bij cliënt te doen over de vraag of de uitlatingen van cliënt van onder andere vrijdag 21 en donderdag 27 september 2018, dinsdag 16 oktober 2018 en 24 januari 2019 in vrijheid zijn afgelegd en of deze – voor zover de deskundige zich daarover kan uitlaten – al dan niet betrouwbaar kunnen worden geacht.

Gezien de recente toewijzing van deskundige prof. dr. Rassin door het Hof Den Haag in de Posbankzaak met betrekking tot het beoordelen van de betrouwbaarheid van de door de verdachte geuite verklaringen. De verdediging zal nu enkele passages uit de schriftelijke verklaring van cliënt aanhalen welke hij heeft voorgedragen op de pro-forma zitting van 6 juni 2019 waaruit blijkt dat hij zich op het standpunt stelt dat hij onbetrouwbare verklaringen heeft geuit tegenover politioneel informant [verbalisant 1] :

- “Ik hoorde dat [slachtoffer] met de noorderzon was vertrokken of dood was en dat [betrokkene 3] daar achter zou zitten. Daar heb ik toen bij undercoveragent [verbalisant 1] mijn eigen draai aan gegeven met als resultaat dat broodje aap verhaal waarbij ik [slachtoffer] om het leven zou hebben gebracht. Dat kon ik makkelijk tegen undercover [verbalisant 1] zeggen want hij zou het zogenaamde bewijs toch wegpoetsen.”

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in

Verbonden uitspraken