HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227

Rolbeslissing. Tweede Enkelvoudige Kamer HR. Beslissingen over geheimhouding i.v.m. Europees Onderzoeksbevel. Ter uitvoering van EOB dat was uitgevaardigd door justitiële autoriteiten van Frankrijk is onder belanghebbenden administratie in beslag genomen en zijn digitale gegevens vastgelegd, waarna belanghebbenden o.g.v. art. 552a jo art. 5.4.10.1 Sv klaagschrift hebben ingediend. Verzoek OM in beklagprocedure ex art. 552a Sv tot geheimhouding van 1. EOB met eventuele onderliggende stukken en eventuele aanvullende onderzoeksbevelen v.zv. die zich bevinden in het dossier waarover HR beschikt en 2. in cassatieprocedure opgemaakte en nog op te maken stukken, waaronder (delen van) conclusies, genomen door parket bij HR, en (tussen/rol)beschikkingen/uitspraken van HR indien en v.zv. dit in strijd zou zijn met de door Franse autoriteiten verzochte geheimhouding. 3. Reikwijdte plicht tot geheimhouding ex art. 19 Richtlijn 2014/41/EU. Ad 1. Wat betreft deelverzoek tot geheimhouding van deze stukken is, gelet op verzoek van Franse autoriteiten, bezien in het licht van art. 19 Richtlijn 2014/41/EU, voldoende aannemelijk geworden dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad indien die stukken aan (raadsman van) belanghebbenden worden verstrekt. Rolraadsheer zal dit deelverzoek daarom toewijzen. Ad 2. Wat betreft deelverzoek tot geheimhouding van deze stukken is niet z.m. aannemelijk dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad indien die stukken aan (raadsman van) belanghebbenden worden verstrekt. Dat is naar het oordeel van rolraadsheer slechts het geval indien en v.zv. daarin melding wordt gemaakt van de inhoud van stukken die o.g.v. art. 19 Richtlijn geheim moeten blijven. T.a.v. de in cassatieprocedure reeds opgemaakte stukken, waaronder CAG en deze rolbeslissing, is daarvan geen sprake. In zoverre zal rolraadsheer dit deelverzoek daarom afwijzen. T.a.v. de in cassatieprocedure nog op te maken stukken zal rolraadsheer per geval beoordelen of zich het geval voordoet dat, gelet op art. 19 Richtlijn jo art. 23.6 Sv, moet worden afgezien van de verstrekking van deze stukken aan (raadsman van) belanghebbenden. In zoverre zal rolraadsheer dit deelverzoek toewijzen. Ad 3. N.a.v. CAG merkt HR op dat uitgangspunt van art. 19 Richtlijn is dat lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tul van EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van EOB garandeert. Tenzij uit EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van die verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving a.b.i. art. 5.4.10 lid 1 Sv o.g.v. art. 552a Sv een klaagschrift is ingediend. Deze verplichting staat er niet aan in de weg dat OM o.g.v. art. 23.5 Sv alle op de zaak betrekking hebbende stukken moet overleggen en dat raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. Wel zal deze verplichting doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de inhoud van EOB blijkt. In dat geval kan raadkamer hun die kennisneming ex art. 23.6 Sv onthouden. Het belang van een effectieve rechtsbescherming van betrokkene kan echter meebrengen dat OM in die situatie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk. In geval van cassatie geldt de in art. 434 Sv opgenomen verplichting tot het inzenden van het dossier aan griffier HR ook m.b.t. de stukken waarvan betrokkene en zijn raadsman geen kennis hebben kunnen nemen. Volgt partiële toewijzing verzoek OM m.b.t. EOB, onderliggende stukken en aanvullende onderzoeksbevelen in dossier HR en m.b.t. in cassatieprocedure nog op te maken stukken indien en v.zv. rolraadsheer oordeelt dat moet worden afgezien van verstrekking daarvan en partiële afwijzing van verzoek OM m.b.t. in cassatieprocedure reeds opgemaakte stukken. Samenhang met 19/04321.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen