HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438
Cassatie in het belang van de wet. Onvolkomenheden bij beëdiging van raadsheren bij hof ’s-Hertogenbosch, art. 5.2 en 6.2 wet RO. 1. Heeft omstandigheid dat bij afleggen van eed of belofte door raadsheren(-plaatsvervanger) gebruik is gemaakt van formulier dat is bestemd voor rijksambtenaar i.p.v. formulier dat is bedoeld voor beëdiging van rechterlijk ambtenaar, gevolgen voor rechtskracht van uitspraken die door deze raadsheren(-plaatsvervanger) zijn gewezen? 2. Gevolgen van onjuiste beëdiging enkelvoudige kamer hof of voorzitter hof, die vervolgens zelf raadsheer heeft beëdigd. 3. Gevolgen van onjuiste beëdiging AG bij hof. Ad 1. Raadsheer-plaatsvervanger heeft bij beëdiging tot uitdrukking gebracht dat hij niet op onoorbare wijze het ambt heeft verkregen, terwijl hij met afleggen van belofte heeft getoond wezenlijke verantwoordelijkheden en verplichtingen te aanvaarden die aan uitoefening van zijn ambt zijn verbonden. Met deze belofte heeft raadsheer-plaatsvervanger zich verbonden te handelen overeenkomstig kernwaarden die ook van belang zijn voor uitoefening van rechterlijk ambt en die mede verband houden met onderdelen van tekst van eed of belofte voor rechterlijk ambtenaar. Gelet op doel en strekking van wettelijke regeling van beëdiging van rechterlijke ambtenaren en in aanmerking genomen aard van onvolkomenheid die zich i.c. heeft voorgedaan, is niet sprake van onvolkomenheid die met zich brengt dat raadsheer-plaatsvervanger niet zou gelden als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast a.b.i. art. 5.2, 6.2 en 58 Wet RO. Rechtskracht van alleen of mede door hem gewezen uitspraken is dus niet aangetast. Een en ander doet er niet aan af dat beëdiging niet op juiste wijze is geschied. Gelet op waarde die moet worden gehecht aan gebruik van het op rechterlijk ambt toegesneden formulier bij beëdiging als rechterlijk ambtenaar, ligt het in de rede dat in dergelijke situatie eed of belofte nogmaals wordt afgelegd maar dan in overeenstemming met dat formulier. Ad 2. In zo'n geval is niet sprake van onvolkomenheid die tot gevolg heeft dat rechterlijk ambtenaar tegenover wie beëdiging heeft plaatsgevonden, niet zou kunnen worden aangemerkt als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast a.b.i. 5 (en 40 dan wel 58) Wet RO. In hier geschetst geval is dan ook sprake van beëdiging a.b.i. art. 2h.1.a of 2h.1.b Brra. Ad 3. Omstandigheid dat AG op zitting waarbij zijn beëdiging tot rechterlijk ambtenaar aan de orde was, zich heeft bediend van tekst van eed of belofte voor rijksambtenaar i.p.v. tekst van eed of belofte voor rechterlijk ambtenaar, heeft niet tot gevolg dat AG niet zou kunnen worden aangemerkt als rechterlijk ambtenaar a.b.i. art. 1.b.6 Wet RO en daarom niet zou zijn gerechtigd tot uitoefening van hem in wet opgedragen taken en bevoegdheden als AG. Daarvoor is van belang wat HR heeft overwogen over mate waarin eed of belofte voor rijksambtenaar overeenstemt met eed of belofte voor rechterlijk ambtenaar en ook wat PG in zijn vordering naar voren heeft gebracht over taken en positie van leden van OM. Overigens kan, v.zv. afgelegde eed of belofte inhoudt dat opgedragen taken plichtsgetrouw en nauwgezet zullen worden verricht, erop worden gewezen dat t.a.v. wijze van verrichten van werkzaamheden door lid van OM (als niet met rechtspraak belaste rechterlijk ambtenaar) een zekere mate van hiërarchisch gezag kan worden uitgeoefend. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl